Vertrouwensbreuk onvoldoende grond voor beëindiging opvangovereenkomst

Klachtenloket Kinderopvang



Commissie: kinderopvang    Categorie: opzegging overeenkomst    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 1323034/1342173

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De uitspraak betreft een geschil over de wijze waarop een kinderopvangorganisatie omging met temperatuurmetingen bij een kind en de daaropvolgende beëindiging van de opvangovereenkomst. De Geschillencommissie oordeelt dat de ondernemer onvoldoende heeft onderzocht of maatwerk mogelijk was en de overeenkomst ten onrechte heeft opgezegd wegens een gestelde vertrouwensbreuk. De klacht is gegrond en de ondernemer moet de opvangkosten over de opzegtermijn terugbetalen.

De volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de handelwijze van de ondernemer en de beëindiging van de plaatsingsovereenkomst met doorbetalingsverplichting gedurende de opzegtermijn.

Standpunt van klaagster

Voor het standpunt van klaagster verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit op het volgende neer.

Klaagster verwijt de ondernemer dat onvoldoende rekening is gehouden met de gezondheid en het welzijn van haar zoon bij de dagopvang. Haar zoon is meerdere malen getemperatuurd en zij is herhaaldelijk gebeld vanwege vermeende verhoging, terwijl zijn temperatuur thuis steeds normaal bleek. Er is onvoldoende rekening gehouden met zijn van nature iets hogere lichaamstemperatuur, temperatuurstijging door inspanning en vermoeidheid en de mogelijke bijwerkingen van zijn BMR-vaccinatie. Daarnaast is haar zoon meerdere malen rectaal getemperatuurd, ondanks haar verzoek om vanwege zijn aambeien uitsluitend via het oor te meten. Zowel de huisarts als de GGD hebben aangegeven dat oormeting in deze situatie mogelijk is. Het rectaal temperaturen heeft haar zoon pijn en angst bezorgd. Klaagster voelt zich door de ondernemer niet gehoord en serieus genomen. Haar verzoeken om hierover in gesprek te gaan zijn onvoldoende opgepakt. Na een discussie op 9 december 2025 heeft de ondernemer aangegeven dat de zoon van klaagster per direct niet meer welkom was bij de ondernemer, zonder dat hierover een zorgvuldig gesprek heeft plaatsgevonden. Vervolgens heeft de ondernemer per e-mailbericht op 10 december 2025 de opvangovereenkomst beëindigd, met inachtneming van een maand opzegtermijn.

Klaagster heeft na 10 december 2025 haar zoon niet meer bij de ondernemer gebracht. Klaagster verzoekt om erkenning van het onjuiste handelen van de ondernemer. Daarnaast verzoekt zij om terugbetaling van de opvangkosten over december 2025 tot en met 9 januari 2026.

Standpunt van de ondernemer

Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit op het volgende neer.

Bij de ondernemer geldt het protocol ‘zieke kinderen, ongevallen en medicijnen’. Dit geldt voor alle kinderen en wordt consequent toegepast. Klaagster heeft verzocht om voor haar zoon een uitzondering te maken, maar dit verzoek is afgewezen omdat het beleid voor alle kinderen gelijk wordt gehanteerd en afwijking niet verenigbaar is met de verantwoordelijkheid van de ondernemer voor een veilige en verantwoorde opvang. Hierover hebben meerdere gesprekken en correspondentie plaatsgevonden, waarbij klaagster haar ongenoegen over het protocol en de wijze waarop dit werd toegepast heeft geuit. Daarbij heeft klaagster aangegeven onvoldoende vertrouwen te hebben in de wijze waarop de kinderopvang het welzijn van haar kind waarborgt.

Daarnaast heeft klaagster zich tijdens de communicatie beledigend jegens de eigenaresse uitgelaten. Hierdoor is een ernstige vertrouwensbreuk ontstaan. De ondernemer heeft daarop de opvangovereenkomst beëindigd met inachtneming van de contractuele opzegtermijn van één maand en klaagster hierover schriftelijk geïnformeerd. De opvang is gedurende de volledige opzegtermijn beschikbaar gebleven. Klaagster heeft er zelf voor gekozen haar zoon niet meer naar de opvang te brengen.

Daarom ziet de ondernemer geen grond voor restitutie van de opvangkosten over de opzegtermijn. De betalingsverplichting blijft gedurende de opzegtermijn bestaan. De ondernemer heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit de opvangovereenkomst en het geldende protocol.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

Handelwijze van de ondernemer en protocol zieke kinderen
De commissie stelt vast dat de zoon van klaagster sinds 1 december 2023 door de ondernemer werd opgevangen. Tussen partijen hebben zich gedurende een lange periode geen noemenswaardige problemen voorgedaan. De klachten van klaagster zien met name op de gebeurtenissen in november en december 2025, toen haar zoon bij verschillende gelegenheden op zijn temperatuur werd gecontroleerd en klaagster meerdere malen werd verzocht hem op te halen omdat sprake zou zijn van verhoging of koorts. Volgens het binnen de opvang gehanteerde protocol ‘zieke kinderen, ongevallen en medicijnen’ worden kinderen bij een temperatuur van 38 °C of hoger niet opgevangen en worden de ouders verzocht hun kind op te halen. De commissie stelt vast dat de zoon van klaagster in de betreffende periode meerdere malen is getemperatuurd. Uit de stukken is echter niet duidelijk geworden wat in de afzonderlijke gevallen de aanleiding voor het meten was en of daarvoor telkens een concrete aanleiding bestond. Dat is temeer van belang nu klaagster stelt dat haar zoon thuis geen verhoging had en dat ook na de betreffende meetmomenten geen sprake bleek te zijn van ziekte. De commissie acht het begrijpelijk dat klaagster, gelet op het herhaaldelijk meten van de temperatuur, vragen heeft gesteld over de wijze waarop dit gebeurde. Zij heeft daarbij aangegeven dat haar zoon aambeien had en heeft verzocht om de temperatuur voortaan via het oor te meten. De ondernemer heeft dit verzoek niet ingewilligd en heeft vastgehouden aan rectale temperatuurmeting. Daarbij heeft de ondernemer zich op het standpunt gesteld dat deze wijze van meten voortvloeit uit het binnen de opvang gehanteerde protocol en dat hiervan voor de zoon van klaagster geen uitzondering kon worden gemaakt.

De commissie stelt vast dat klaagster vervolgens ook contact heeft opgenomen met de GGD en haar bezwaren en de door haar verkregen informatie aan de ondernemer heeft voorgelegd. Klaagster stelt dat de GGD heeft aangegeven dat in deze situatie ook oormeting mogelijk was en heeft geadviseerd om hierover met de ondernemer in gesprek te blijven. De ondernemer heeft echter vastgehouden aan de bestaande werkwijze.

Op 10 december 2025 werd klaagster opnieuw gebeld met het verzoek haar zoon op te halen, omdat bij hem een temperatuur van 38,1 °C was gemeten. Klaagster heeft gevraagd om de temperatuur na ongeveer een half uur opnieuw te meten, maar aan dat verzoek is geen gehoor gegeven. Bij het ophalen van haar zoon is hierover een discussie ontstaan, waarbij klaagster toegeeft zich uit opgelopen emoties onheus te hebben geuit tegenover de ondernemer, die heeft geleid tot de opzegging van de overeenkomst. Naar het oordeel van de commissie had van de ondernemer, als professionele kinderopvangorganisatie, mogen worden verwacht dat zij de bezwaren van klaagster serieus zou bespreken en zou onderzoeken of binnen de geldende verantwoordelijkheid voor de gezondheid en veiligheid van de kinderen ruimte bestond voor een passende alternatieve wijze van temperatuurmeting. De commissie acht het onvoldoende inzichtelijk geworden waarom in deze specifieke situatie niet naar een alternatief kon worden gekeken. Dat het protocol een bepaalde werkwijze voorschrijft, betekent naar het oordeel van de commissie niet zonder meer dat een individuele situatie niet kan worden besproken of dat geen maatwerk kan worden overwogen.

De commissie is voorts van oordeel dat de communicatie tussen partijen onvoldoende heeft bijgedragen aan het oplossen van het geschil. De commissie acht de ondernemer hierin het meest verwijtbaar. Ook indien de communicatie vanuit klaagster op enig moment als onaangenaam of beledigend is ervaren, mocht van de ondernemer als professionele partij worden verwacht dat deze de situatie op een professionele en oplossingsgerichte wijze zou blijven benaderen. Dat is naar het oordeel van de commissie onvoldoende gebeurd.

Beëindiging van de overeenkomst
Uit de stukken, waaronder de WhatsApp-correspondentie en het verweer van de ondernemer, leidt de commissie af dat de ondernemer de opvangovereenkomst op 10 december 2025 heeft opgezegd en daarbij een opzegtermijn van één maand heeft gehanteerd. De ondernemer heeft de beëindiging gemotiveerd met een ontstane vertrouwensbreuk. De commissie stelt vast dat de opzeggingsmail niet tot de stukken behoort.
De ondernemer heeft bij zijn verweer algemene voorwaarden overgelegd, versie november 2024. Artikel 10, tweede lid, onder e, daarvan bepaalt dat een verstoorde vertrouwensrelatie tussen ondernemer en ouder, waardoor voortzetting van de overeenkomst in ongewijzigde vorm niet van de ondernemer kan worden gevergd, een grond voor beëindiging van de overeenkomst met inachtneming van een opzegtermijn van één maand kan zijn. Klaagster heeft evenwel een andere versie van de algemene voorwaarden, versie 1.01, overgelegd, waarin deze opzeggingsgrond niet is opgenomen. Ook op de website van de ondernemer staat een versie van de algemene voorwaarden, versie februari 2023, gepubliceerd waarin deze bepaling niet voorkomt. De commissie kan daarom niet vaststellen welke versie van de algemene voorwaarden op de overeenkomst tussen partijen van toepassing was. Maar ook indien ervan wordt uitgegaan dat de door de ondernemer overgelegde bepaling van toepassing was, is de commissie van oordeel dat onvoldoende grond bestaat voor beëindiging van de overeenkomst. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de discussie tussen partijen in belangrijke mate betrekking had op de wijze waarop het protocol werd toegepast en op de vraag of voor de zoon van klaagster een andere wijze van temperaturen mogelijk was. De ondernemer heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake was van een zodanige vertrouwensbreuk dat van hem redelijkerwijs niet kon worden verlangd de overeenkomst voort te zetten. Van een professionele kinderopvangorganisatie mag in een dergelijke situatie worden verwacht dat zij, ondanks de opstelling van een ouder en eventuele emoties tijdens de communicatie, blijft zoeken naar een oplossing waarbij het belang en het welzijn van het kind centraal staan. Daarvan is naar het oordeel van de commissie onvoldoende gebleken.

De commissie acht de opzegging van de overeenkomst daarom niet gerechtvaardigd. Dit betekent tevens dat geen sprake is van een verschuldigde opzegtermijn van één maand. Klaagster heeft aangegeven en bericht aan de ondernemer dat zij haar zoon vanaf 11 december 2025 niet meer naar de opvang heeft gebracht. Gelet op het standpunt van de ondernemer dat gedurende de resterende periode overeenkomstig het protocol zou worden gehandeld en rectaal zou blijven worden getemperatuurd, acht de commissie het begrijpelijk dat klaagster haar zoon niet meer heeft gebracht. Van haar kon in de gegeven omstandigheden niet worden verlangd dat zij haar zoon opnieuw aan een werkwijze zou blootstellen waartegen zij gemotiveerde bezwaren had. De opvangkosten van € 590,– over de periode vanaf 10 december 2025 zijn daarom niet verschuldigd en deze dienen aan klaagster te worden terugbetaald.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:

– verklaart de klacht gegrond;
– bepaalt dat de ondernemer aan de klaagster een bedrag van € 590,– terzake de periode 10 december 2025 – 9 januari 2026 terugbetaalt;
– bepaalt dat de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 25,00 aan klaagster dient te vergoeden ter zake van het klachtengeld;
– bepaalt dat betaling van bovengenoemde bedragen binnen een maand na de verzenddatum van dit bindend advies dient plaats te vinden.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Kinderopvang, bestaande uit mevrouw mr. W. Bruins, voorzitter, de heer drs. T. Blom, de heer H. Stel, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. M. Gardenier, secretaris, op 21 september 2026.