Commissie: kinderopvang
Categorie: (on)zorgvuldig handelen
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
1311707/1316771
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De consument heeft geklaagd over onhygiënische omstandigheden, nalatigheid en ongelijke behandeling van kinderen door de kinderopvang. Zij zegt dat kinderen water uit een toiletkraan moesten drinken, dat sommige kinderen — waaronder haar eigen kind — onterecht niet mee mochten op een uitje, en dat er al langere tijd problemen waren. De ondernemer ontkent dit volledig en zegt dat er geen sprake was van discriminatie of slechte hygiëne. Volgens de ondernemer is de keuze welke kinderen meegaan op een uitje gebaseerd op leeftijd, groepssamenstelling en pedagogische overwegingen. Ook zou nooit water uit een toiletkraan zijn gegeven en is er geen kind alleen op het schoolplein achtergelaten. De commissie beoordeelt alleen de klachten die in juli 2025 zijn ingediend, omdat oudere signalen eerder al in goed overleg waren opgelost en geen formele klachten waren. Omdat de verklaringen van de consument en de ondernemer sterk verschillen en er geen bewijs is voor wat er precies is gebeurd, kan de commissie niet vaststellen dat de ondernemer iets verkeerd heeft gedaan. In zulke gevallen wordt een klacht niet gegrond verklaard. De commissie benadrukt dat zij geen onafhankelijk onderzoek kan instellen; daarvoor is de GGD de aangewezen instantie. De klacht van de consument wordt daarom ongegrond verklaard.
De volledige uitspraak
Onderwerp van het geschil
De consument heeft de klachten voorgelegd aan de ondernemer.
Het geschil betreft klachten van de consument over hygiëne en het maken van onderscheid tussen kinderen.
Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Bij de ondernemer is al jaren sprake van onhygiënische omstandigheden, nalatigheid (kinderen niet ophalen die alleen achterblijven op het schoolplein) en discriminatie tussen kinderen waardoor de fysieke en mentale gezondheid van kinderen in het geding komt.
De consument heeft hierover al meerdere malen schriftelijk en mondeling geklaagd en heeft meerdere gesprekken gevoerd met de leidinggevenden. De ondernemer heeft haar klachten keer op keer afgewezen.
Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Vermeende discriminatie
Ter zake de vermeende discriminatie is niet duidelijk waaruit dit volgens de consument zou bestaan. De ondernemer vermoedt dat de klacht ziet op een uitstapje, waarbij onderscheid gemaakt zou zijn tussen de kinderen van de locatiemanager en de overige kinderen. Dit is onjuist. De manager bedrijfsvoering bepaalt welke kinderen wel en niet mee mogen op een dergelijk uitstapje. Hierbij wordt gekeken naar een verdeling van leeftijden, aanwezige pedagogisch medewerkers, de aard van het uitstapje en welke kinderen recent al wel of niet op pad zijn geweest. Samengevat wordt gekeken naar wat pedagogisch verantwoord is.
De ondernemer betwist uitdrukkelijk dat onderscheid zou worden gemaakt en dat kinderen – onder wie het kind van de consument – hierin benadeeld zou worden en/of anders behandeld zou worden ten opzichte van andere kinderen.
Onhygiënische omstandigheden
Voor wat betreft de klacht over onhygiënische omstandigheden is evenmin duidelijk waaruit dit volgens de consument zou bestaan. De ondernemer vermoed dat dit ook ziet op een uitstapje, waarbij de kinderen volgens de consument water uit de toiletkraan zouden hebben moeten drinken. Dit is onjuist en simpelweg niet gebeurd.
De ondernemer is ervan overtuigd de hygiënische standaarden zeer goed op orde te hebben. De ondernemer heeft hierover nog nooit op- of aanmerkingen gehad van de GGD.
Nalatig handelen
Deze klacht is nooit eerder bij de ondernemer ingediend. De ondernemer is van mening niet nalatig gehandeld te hebben en zeker geen kinderen op het schoolplein te hebben laten staan.
Conclusie
De ondernemer kan zich in het geheel niet vinden in de klachten van de consument.
Beoordeling van het geschil
Reikwijdte geschil
De consument heeft stukken ingediend waaruit blijkt dat zij in 2020 reeds diverse situaties bij de ondernemer aan de kaak heeft gesteld. De commissie merkt hierover op dat deze berichten niet worden aangemerkt als formele klacht, nu de consument die niet als zodanig heeft ingediend en uitdrukkelijk heeft bevestigd dat de betreffende situaties in goed overleg zijn opgelost.
Het onderhavige geschil ziet dus alleen op de klachten die op 24 en 26 juli 2025 zijn geuit. Het gaat hierbij enerzijds om het drinken uit een toiletkraan en anderzijds om het op discriminerende wijze onderscheid maken tussen kinderen bij het organiseren van een uitje. Het geschil betreft alleen de overeenkomst ten aanzien van de zoon van de consument, nu de dochter van de consument reeds sinds 2015 geen gebruik meer maakt van de opvang.
Hygiëne en onderscheid tussen kinderen
De beide klachten zien op een uitje wat in juli 2025 heeft plaatsgevonden. Een deel van de kinderen mocht hieraan deelnemen, een deel van de kinderen niet. Daarnaast zouden kinderen water uit de toiletkraan hebben moeten drinken. De consument heeft aangevoerd dat de pedagogisch medewerkers over de beide klachten wisselend hebben verklaard, wat de consument heeft bevreemd.
De ondernemer heeft beide klachten uitdrukkelijk en ook gemotiveerd betwist. Hieruit volgt dat de feitelijke toedracht van de vermeende incidenten met onvoldoende zekerheid kan worden vastgesteld. Het is vaste jurisprudentie van de commissie in gevallen als deze waarbij de lezingen van beide partijen uiteenlopen en niet meer kan worden vastgesteld wat de feitelijke gang van zaken is geweest, dat het verwijt van de consument op het desbetreffende onderdeel niet gegrond kan worden bevonden. Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van de consument minder geloof verdient dan dat van de ondernemer, maar op de omstandigheid dat voor een oordeel of door de ondernemer onzorgvuldig is gehandeld eerst met voldoende zekerheid moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden. Deze feiten kan de commissie niet vaststellen.
Conclusie
De klacht is ongegrond. Hierbij merkt de commissie nog op dat het instellen van een onafhankelijk onderzoek niet onder haar bevoegdheid valt. In de kinderopvangsector vervult de GGD de rol van toezichthouder.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht ongegrond.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Kinderopvang, bestaande uit de heer mr. J.M.P. Drijkoningen, voorzitter, de heer mr. E.A.J. Vergouwen, mevrouw mr. M. Stroetenga, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort, secretaris, op 18 december 2025.