Klacht over weigering kinderopvang gegrond

Klachtenloket Kinderopvang



Commissie: kinderopvang    Categorie: (on)zorgvuldig handelen    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 1312555/1325309

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

Deze zaak gaat over een moeder die klaagt dat haar zoontje ten onrechte is geweigerd bij een peuterspeelzaal. Volgens haar waren de intake en observaties onduidelijk en onzorgvuldig uitgevoerd, en kreeg zij pas na drie korte observaties te horen dat haar kind niet geplaatst kon worden. De ondernemer zegt dat het kind gedrag liet zien dat niet paste binnen de groep en dat zij onvoldoende begeleiding konden bieden. De commissie kijkt of de ondernemer het besluit zorgvuldig heeft genomen. Daarbij geldt dat de commissie alleen toetst hoe het besluit tot stand is gekomen, niet wat de inhoud ervan is. Uit de stukken en de zitting blijkt dat de intake chaotisch verliep, dat de directrice niet aanwezig was, dat een externe begeleider zonder duidelijke reden bij het intakegesprek aanschoof, dat de afgesproken vier observaties niet zijn uitgevoerd, dat slechts twee observatieverslagen bestaan en dat het eigen beleid van een proefperiode van twee maanden niet is gevolgd. Ook ontbrak onderbouwing waarom juist een verkorte observatie leidde tot weigering. Daarom vindt de commissie dat het besluit onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. De klacht wordt gegrond verklaard. Omdat de moeder inmiddels elders opvang heeft gevonden, heeft dit verder geen gevolgen voor plaatsing. De gevraagde schadevergoeding wordt afgewezen omdat deze niet is onderbouwd. Wel krijgt de consument het klachtengeld van € 25 terug.

De volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.

Het geschil betreft de weigering van de ondernemer de zoon van de consument opvang aan te bieden wegens zodanig gedrag dat opvang op de gebruikelijke wijze niet mogelijk is c.q. dat dit gedrag een nadelige invloed heeft op de andere kinderen in de groep.

Standpunt van de consument

Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De zoon van de consument is plaatsing geweigerd, nadat de consument had meegedeeld dat haar zoon een chronische stollingsziekte had en nadat uit een observatieperiode bleek dat haar zoon niet in de groep paste. Het intakegesprek op 19 mei 2025 vond plaats tussen spelende kinderen, wat voor de consument onveilig en oncomfortabel aanvoelde. De spanning die hierdoor ontstond, leidde ertoe dat haar zoon negatieve aandacht vroeg. Na het intakegesprek is aan de consument meegedeeld eerst een observatieperiode van vier dagdelen van twee uur te starten alvorens te beslissen of de zoon van de consument kon worden geplaatst. Ondanks dat toelating afhankelijk was gesteld van de observatie(s) zijn aan de consument drie facturen en een contract toegestuurd op respectievelijk 20, 30 mei en 3 juni 2025. Na slechts drie observaties is door de ondernemer geconcludeerd dat de zoon van de consument niet geschikt was voor de groep, met als argument dat hij niet reageerde op zijn naam, speelgoed in zijn mond stopte en niet meedeed met de groep. Dit alles werd beslist door een externe begeleider van de [naam stichting]. Er werd ook direct gesproken over medische opvang, zonder dat de consument adequate begeleiding of doorverwijzing daartoe kreeg.

De vooringenomen houding, de oncomfortabele setting en emotionele belasting bij het intakegesprek, de observatieperiode, het toesturen van het contract vóór het toelatingsbesluit, de evaluatie en de afwijzing en ten slotte het niet benutten van de VVE-indicatie van haar zoon, heeft ervoor gezorgd dat er volgens de consument sprake is van ongelijkwaardige behandeling en onduidelijke procedures.

Door deze weigering is de consument genoodzaakt geweest opvang buiten [plaatsnaam] te zoeken en thans wordt hij opgevangen in een kinderdagverblijf in [plaatsnaam]. Hierdoor heeft de consument aanmerkelijk meer kosten moeten maken en hierdoor schade geleden. Als gevolg van het feit dat de opvang in [plaatsnaam] veel verder ligt dan haar woonadres, maakt de consument structureel extra reiskosten en is zij aanzienlijk meer tijd kwijt aan reizen. De combinatie van de langdurige extra reistijd, de voortdurende zorgen en de verhoogde mentale belasting heeft geleid tot aanhoudende vermoeidheid en overbelasting bij de consument. Als gevolg hiervan is de consument genoodzaakt om bij haar werkgever een vermindering van haar werkuren aan te vragen om haar gezondheid te beschermen en uitval te voorkomen.
Naast de financiële schade heeft de consument ook immateriële schade geleden in de vorm van langdurige stress, emotionele belasting en aantasting van haar gevoel van veiligheid en vertrouwen.

Standpunt van de ondernemer

Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De ondernemer begrijpt allereerst niet waarom het zo lang heeft geduurd voordat deze klacht onder haar aandacht is gebracht. Het laatste gesprek met de consument vond plaats op 3 juni 2025 terwijl pas op
12 januari 2026 de klacht van de Geschillencommissie Kinderopvang is ontvangen.

De consument heeft tijdens de intake zelf de medische achtergrond van haar zoon toegelicht. Ook heeft zij toen verteld dat er op de vorige peuterspeelzaal sprake was van problemen, waaronder een conflict met de pedagogisch medewerkers, waarna zij haar zoon daar heeft weggehaald. Vervolgens is aan de consument aangeboden om haar zoon vier dagdelen mee te laten draaien in de groep waardoor hij ook geobserveerd kon worden. Op basis van deze observatieperiode zou worden beoordeeld of deze opvangsetting passend was voor haar zoon. De consument ging daarmee akkoord.

Binnen de organisatie is het gebruikelijk dat het intakegesprek plaatsvindt tijdens het gezamenlijke eetmoment aan tafel, waarbij de peuters fruit eten. Dit biedt de ondernemer de mogelijkheid om direct te observeren hoe een peuter functioneert binnen de groep. Omdat de consument tijdens de intake emotioneel raakte, zijn de aanwezige pedagogisch medewerkers met alle peuters naar buiten gegaan, waardoor het gesprek in alle rust kon worden voortgezet in aanwezigheid van [naam], extern begeleider, verbonden aan de extern begeleider van [naam stichting] (hierna: de extern begeleider van de [naam stichting]).

Door de administratie is een fout gemaakt bij het toesturen van de facturen en het contract. Dit contract is ook nooit door de consument ondertekend. De ondernemer biedt voor deze fout haar verontschuldigingen aan. Dit geldt ook voor de ten onrechte aan de consument toegezonden facturen, die overigens ook niet betaald zijn.

Op 3 juni 2025 heeft een evaluatiegesprek plaatsgevonden met de consument en haar partner, waarin de bevindingen van de ondernemer zijn besproken. Tijdens dit gesprek is door beide ouders positief gereageerd op de door de ondernemer gegeven adviezen. Deze adviezen waren: aanmelding bij V.T.O, zodat er breder gekeken kan worden naar een passende plek waar hun zoon de juiste ondersteuning kan krijgen. Ook de voorschoolse maatschappelijk werker, mw. [naam], en de externe begeleider van de [naam stichting] konden door de ouders worden benaderd.

De redenen voor het niet plaatsen van de zoon van de consument waren:
-hij gooit regelmatig met speelgoed, wat gevaarlijke situaties kan opleveren voor zowel hemzelf als voor de andere kinderen;
-hij stopt speelgoed in zijn mond, bijt hierop en tikt ermee, wat een inslikgevaar met zich meebrengt;
-hij maakt eentonige geluiden, wat onrust veroorzaakt binnen de groep;
-hij lijkt overprikkeld en loopt regelmatig met zijn handen voor zijn oren, wat mogelijk te maken heeft met de groepsgrootte en het aantal prikkels;
-hij is nog sterk in zijn eigen wereld en maakt weinig tot geen contact met andere kinderen;
De zoon van de consument heeft veel individuele begeleiding nodig. Binnen een VVE-groep met twee pedagogisch medewerkers op 16 peuters kan de ondernemer deze begeleiding onvoldoende bieden. De pedagogisch medewerkers beschikken ook niet over de juiste opleiding en expertise die nodig is om de zoon van de consument op de juiste manier te begeleiden in zijn ontwikkeling. Op basis van vorenstaande observaties is de ondernemer tot de conclusie gekomen dat zij hem deze opvang niet kunnen bieden binnen hun peuterspeelzaal.

Ten slotte wijst de ondernemer op hun algemene voorwaarden, meer specifiek op artikel 7 lid 1, waarin is vermeld dat de peuterspeelzaal een kind kan weigeren indien het gedrag van het kind zodanig is dat opvang op de gebruikelijke wijze niet mogelijk is, of indien dit een nadelige invloed heeft op de andere kinderen in de groep.
De keuze van de consument om buiten de gemeente opvang te zoeken kan op geen enkele wijze aan de peuterspeelzaal worden toegerekend. Eventuele aanspraken op schadevergoeding die in verband met deze keuze worden ingediend, zijn dan ook ongegrond en kunnen niet op de peuterspeelzaal worden verhaald.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

Bij de beantwoording van de vraag of het besluit van de ondernemer om de zoon van de consument geen opvang te bieden op inhoudelijk juiste gronden heeft genomen, geldt in het algemeen dat aan de commissie slechts een marginale toetsing toekomt. Die toetsing houdt in dat de commissie alleen beoordeelt of de ondernemer bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid heeft kunnen komen tot zijn besluit. In beginsel komt aan de ondernemer de vrijheid toe zijn eigen beleid te voeren en te bepalen op welke wijze hij zijn doel met de onderneming wil bereiken. De commissie kan pas tussenbeide komen wanneer voldoende duidelijk is dat wegens gebrek aan voldoende onderbouwing van het bestreden besluit, dat besluit in redelijkheid niet in stand kan blijven.

De commissie benadrukt dat de marginale toets niet ziet op de inhoud van het besluit van de ondernemer, maar slechts op de wijze waarop dat besluit tot stand is gekomen.

De ondernemer heeft zich beroepen op artikel 7 lid 1 van de Algemene Voorwaarden van de ondernemer, waarin is bepaald dat de peuterspeelzaal plaatsing van een kind kan weigeren of de toegang tot een locatie (tijdelijk) kan weigeren indien “het kind zodanig gedrag vertoont dat een situatie ontstaat waarin het kind niet op de gebruikelijke wijze kan worden opgevangen en/of de overige kinderen een nadelige invloed ondervinden”.

De ondernemer heeft ter zitting aangevoerd dat zij de zoon van de consument eerst wenste te observeren omdat er een conflict was geweest met een vorige peuterspeelzaal en zij wilde weten wat nu precies de reden was geweest van dat conflict én omdat zij wilde beoordelen op welke wijze de zoon van de consument zou reageren op de kinderen in de groep.
Desgevraagd heeft de ondernemer verklaard dat naast haarzelf op een gegeven moment ook de extern begeleider van [naam stichting] bij de intake aanwezig was en dat het niet gebruikelijk is dat deze extern begeleider ook bij de intakegesprekken aanwezig is.
Desgevraagd heeft de ondernemer verklaard dat zij op 19 mei 2025 niet alles heeft gezien, maar dat de pedagogisch medewerker en de extern begeleider van de [naam stichting] bepaalde dingen zagen.

De consument heeft ter zitting het volgende verklaard.
De consument had de klacht eerder in juli 2025 via het e-mailadres van een vriend ingediend maar dat is misgegaan, waardoor de klacht nogmaals moest worden ingediend.
De directrice was niet bij de intake, wel de pedagogisch medewerker, en op een gegeven moment kwam de extern begeleider van de [naam stichting] erbij. De consument heeft de directrice voorbij zien lopen maar zij heeft niet direct met haar gesproken en zij heeft niet deelgenomen aan het (intake)gesprek. Haar zoon heeft een chronische stollingsziekte en mede door een trauma mogelijk een spraak/taalachterstand. Haar zoon vertoonde geen vreemd gedrag maar gewoon gezond en enthousiast gedrag tijdens het intakegesprek. Inmiddels heeft zij een andere locatie voor voorschoolse opvang gevonden.

Gelet op de verklaringen van partijen stelt de commissie vast dat de directrice niet bij het intakegesprek van 19 mei 2025 aanwezig is geweest. Ook kan worden vastgesteld dat het intakegesprek deels in het bijzijn van de kinderen heeft plaatsgevonden met een pedagogisch medewerker en dat op een bepaald moment de kinderen naar buiten zijn gegaan mede onder begeleiding van de directrice en de consument met haar zoon is achtergebleven met de extern begeleider van de [naam stichting]. Vervolgens is door de ondernemer besloten om een observatieperiode van vier dagdelen van twee uur te starten. Daarnaar gevraagd heeft de ondernemer tijdens de hoorzitting gezegd dat hiertoe werd besloten op grond van twee redenen, ten eerste om te achterhalen waarom het was misgegaan bij de vorige peuterspeelzaal en ten tweede om te beoordelen of de zoon van de consument in de groep paste. Door de ondernemer is in het verweer niet beschreven wat er nu daadwerkelijk is gebeurd ten tijde van het intakegesprek waardoor er een observatieperiode diende te worden gestart. Tijdens de hoorzitting benoemde de ondernemer als reden voor de observatieperiode het gedrag van de zoon zoals dat naar voren kwam op 20 mei 2025, echter het intakegesprek vond een dag eerder – op 19 mei 2025 – plaats. Voorts kon de ondernemer ter zitting niet verklaren om welke reden de extern begeleider bij het intakegesprek van 19 mei 2025 aanwezig was, terwijl dit kennelijk ook niet gebruikelijk is.
Desgevraagd kon de ondernemer voorts evenmin verklaren over de redenen waarom slechts drie dagdelen is geobserveerd in plaats van de toegezegde vier dagdelen en ook niet om welke reden slechts twee observatieverslagen zijn opgemaakt. Dit klemt te meer nu in het Pedagogisch beleidsplan van de peuterspeelzaal (art. 3.8e) altijd een proefperiode van twee maanden wordt afgesproken voor kinderen met een handicap.

De commissie merkt op in het onderhavige dossier geen observatieverslagen van 26 mei en 3 juni 2025 te hebben aangetroffen die de weigering van de plaatsing onderbouwen. Toch hebben ook deze observaties kennelijk (mede) ten grondslag gelegen aan het besluit tot weigering van de plaatsing. Dit gemis als ook het in tegenspraak handelen met het eigen beleid zonder nadere (schriftelijke) onderbouwing, maakt dat het bezwaar dat het besluit om plaatsing te weigeren, gegrond wordt verklaard.

Gelet op het feit dat de consument heeft aangegeven inmiddels zelf elders opvang heeft gevonden, zal de gegrondverklaring verder geen consequenties hebben.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht gegrond is.

Schadevergoeding
De consument heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend vanwege enerzijds vermindering van haar werkuren en daarnaast immateriële schade. De consument heeft de hoogte van deze vordering niet onderbouwd. De vordering wordt daarom afgewezen.

Wel dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 25,- aan de consument te vergoeden ter zake van het klachtengeld.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:

-verklaart de klacht van de consument gegrond;

-wijst af de vordering tot schadevergoeding;

-bepaalt dat de ondernemer een bedrag van € 25,- aan de consument dient te vergoeden ter zake van het klachtengeld binnen 14 dagen na verzending van dit bindend advies.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Kinderopvang, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, mevrouw mr. S.A.M.F. Sjoukes, mevrouw E.C. Rosemünd, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. M. Land Smorenburg, secretaris, op 23 februari 2026.