Kinderopvang moet opvang hervatten na onterechte beëindiging overeenkomst

Klachtenloket Kinderopvang



Commissie: kinderopvang    Categorie: Opzeggen overeenkomst    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 1360379/1364044

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De uitspraak betreft een geschil over de opzegging van een opvangovereenkomst door een kinderopvangorganisatie vanwege het gedrag en de extra begeleidingsbehoefte van een kind. De Geschillencommissie oordeelt dat de ondernemer de overeenkomst te vroeg heeft beëindigd, omdat een afgesproken handelingsplan nog niet was uitgevoerd en geëvalueerd en extern onderzoek nog moest plaatsvinden. De klacht is daarom gegrond en de opvang moet worden voortgezet.

De volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.

Het geschil betreft eenzijdige opzegging van de overeenkomst vanwege het gedrag van de dochter van de consument.

Standpunt van de consument

Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De ondernemer heeft de plaatsingsovereenkomst van de consument opgezegd op 23 september 2026 per 31 oktober 2026. Vanaf 14 september 2026 mocht de dochter van de consument al minder naar de opvang komen. De opzegging berust niet op een deugdelijke grond en heeft plaatsgevonden voor de evaluatie van het eigen handelingsplan, zonder overleg over alternatieven.

De consument wenst voortzetting van de opvang.

Standpunt van de ondernemer

Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Sinds december 2025 worden binnen de BSO zorgen en observaties rondom het gedrag van de dochter van de consument geregistreerd. De dochter van de consument heeft moeite met prikkelverwerking, emotieregulatie, het opvolgen van aanwijzingen, het accepteren van correcties en groepsafspraken, het respecteren van grenzen van andere kinderen, het terugkeren naar rust na een spanningsvolle situatie en het meegaan in overgangsmomenten. Daarnaast is meerdere keren sprake geweest van gedrag waarbij andere kinderen zijn geduwd, geslagen of ongewenst aangeraakt.

De ondernemer heeft ingezet op extra begeleiding door middel van individuele gesprekken, duidelijke afspraken, herhaald uitleggen van grenzen en privacy, visuele ondersteuning, aanbieden van rustmomenten, het kind weghalen uit situaties, intensieve begeleiding bij overgangsmomenten, gesprekken en afstemming met ouders en de intern begeleider van school waar het gedrag van de dochter wordt herkend en het inschakelen van het interne zorgteam.

Ondanks deze begeleiding blijven vergelijkbare situaties zich voordoen en bleek de veiligheid van andere kinderen onder druk komen te staan. Op 15 juli 2026 heeft de ondernemer een officiële waarschuwing gegeven naar aanleiding van twee incidenten, waaronder het slaan van een ander kind met een metalen fles, waardoor de dochter van de consument één dag geen gebruik mocht maken van de opvang. Daarnaast is met de consument besproken dat haar dochter alleen opvang kan gebruiken als er minimaal twee pedagogisch medewerkers aanwezig zijn. Op andere dagen kan het kind geen gebruik maken van de opvang. Ook kon de dochter van de consument gedurende de zomervakantie niet deelnemen aan uitstapjes en kon op die dagen dus geen opvang worden geboden.

Op 9 september 2026 heeft opnieuw een gesprek met de consument plaatsgevonden, waarbij het handelingsplan is afgestemd, als aanvullende inzet boven op de reguliere begeleiding. Ook werd afgesproken dat de opvang wordt teruggebracht naar drie vaste dagen per week, omdat vijf dagen niet langer haalbaar was.

Op 14 september 2026 heeft zich een incident voorgedaan, waarbij de dochter van de consument de broek van een ander kind naar beneden heeft getrokken. Dit incident past in een patroon en is de aanleiding geweest om te concluderen dat de ondernemer binnen de reguliere BSO niet de begeleiding kan bieden die de dochter van de consument nodig heeft. Daarop is de overeenkomst beëindigd met inachtneming van de opzegtermijn. De dochter van de consument zou mogelijk wel passen binnen het BSO+-kader.

Beoordeling van het geschil

Toetsingskader
De ondernemer heeft zich beroepen op de Algemene voorwaarden voor Kinderopvang, Dagopvang en Buitenschoolse opvang 2025 (hierna te noemen: Algemene voorwaarden), meer specifiek op artikel 6 lid 3 sub b onder iii, in samenhang met artikel 10 lid 2 sub a onder iii, waaruit volgt dat de ondernemer slechts bevoegd is de overeenkomst op te zeggen op grond van een gegronde reden. Als gegronde reden wordt in ieder geval aangemerkt de omstandigheid dat het kind een extra verzorgingsbehoefte heeft die de ondernemer feitelijk niet kan verlenen. Opzegging vindt plaats met inachtneming van de opzegtermijn, door middel van een aan de consument gerichte schriftelijke verklaring. De ondernemer motiveert de opzegging.

Conform eerdere jurisprudentie merkt de commissie een eenzijdige beëindiging van de overeenkomst aan als een toekomstige weigering van de toegang tot de opvang. Dit betekent dat de bepalingen, die zien op de weigering van de toegang (in dit geval artikel 10 van de Algemene voorwaarden), van overeenkomstige toepassing zijn op dit geschil.

Hieruit volgt dat een consument, die het niet eens is met de beslissing van de ondernemer de overeenkomst eenzijdig te beëindigen, een verkorte procedure bij de commissie kan starten, zoals in dit geval is gebeurd.

Bij de commissie ligt dan ook de vraag voor of in het onderhavige geschil sprake is van een gegronde reden die de eenzijdige beëindiging van de overeenkomst rechtvaardigt.

Bevindingen commissie
Niet in geschil is dat de dochter van de consument extra begeleiding behoeft. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de ondernemer zich sinds december 2025 heeft ingespannen om de ontwikkeling en begeleiding van het kind te ondersteunen. In dat kader zijn diverse gesprekken met de ouders gevoerd, is een observatie verricht en is het interne zorgteam ingeschakeld. Uit de gespreksverslagen volgt dat de ondernemer de zorgen over het gedrag en de ontwikkeling van het kind structureel met de ouders heeft gedeeld en besproken. Deze zorgen hadden onder meer betrekking op prikkelverwerking, het niet respecteren van grenzen en privacy van andere kinderen en het omgaan met begrenzingen en afspraken.

Op 9 september 2026 hebben de ondernemer en de ouders een handelingsplan vastgesteld. Daarnaast zou de externe organisatie RIOzorg het kind observeren en op basis daarvan adviseren over de benodigde begeleiding. Afgesproken was dat het handelingsplan na zes weken zou worden geëvalueerd.

Vaststaat dat de ondernemer de opvangovereenkomst kort na de vaststelling van het handelingsplan en voordat RIOzorg haar observatie en advisering had kunnen uitvoeren, eenzijdig heeft beëindigd. De ondernemer heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de ondersteuningsbehoefte van het kind zodanig was dat de benodigde begeleiding niet langer binnen de reguliere opvangsetting kon worden geboden.

De ondernemer heeft in dit verband aangevoerd dat het incident van 14 september 2026, waarbij de dochter van de consument de broek van een ander kind naar beneden heeft getrokken, weliswaar niet op zichzelf stond, maar voor de ondernemer, met inachtneming van de voorgaande voorvallen, de aanleiding vormde om de opvangovereenkomst te beëindigen.

De commissie stelt voorop dat de ondernemer de verantwoordelijkheid heeft om een veilige opvangomgeving voor alle kinderen te waarborgen. De commissie is echter van oordeel dat het genoemde incident, mede gelet op de omstandigheden zoals die uit de overgelegde stukken blijken, op zichzelf onvoldoende grond biedt om de eenzijdige beëindiging van de opvangovereenkomst te rechtvaardigen.

De commissie is van oordeel dat de ondernemer het traject voorafgaand aan de opzegging zorgvuldig heeft vormgegeven door onder andere een observatie te verrichten, deskundigheid in te schakelen en de ouders bij de zorgen te betrekken. Daar staat echter tegenover dat de ondernemer de overeenkomst heeft beëindigd voordat het handelingsplan is ingezet en geëvalueerd, en voordat de observatie en advisering door RIOzorg heeft plaatsgevonden. Daarmee is de mogelijkheid om te beoordelen of deze ondersteuning toereikend zou zijn geweest, niet afgewacht.

Gelet op het voorgaande is de commissie van oordeel dat de eenzijdige beëindiging van de opvangovereenkomst op het moment waarop deze heeft plaatsgevonden prematuur was.

Conclusie
De gegronde reden om te komen tot opzegging van de overeenkomst was (nog) niet aanwezig en de opzegging zelf moet als ontijdig worden aangemerkt. De opzegging kan dan ook niet in stand blijven.

Dit betekent dat de consument op gebruikelijke tijd en wijze gebruik dient te kunnen maken van de opvang van de ondernemer.

Aangezien de klacht van de consument gegrond wordt verklaard, dient het klachtengeld overeenkomstig het reglement van de commissie voor rekening van de ondernemer te komen.
Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie:

– verklaart de klacht van de consument gegrond;
– bepaalt dat de consument op gebruikelijke tijd en wijze gebruik dient te kunnen blijven maken van de opvang van de ondernemer;
– bepaalt dat de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 25,– aan de consument dient te vergoeden ter zake van het klachtengeld.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Kinderopvang, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, de heer mr. E.A.J. Vergouwen, de heer H. Stel, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr.
S.M.E. Balfoort, secretaris, op 26 oktober 2026.