Kinderopvang mocht overeenkomst niet eenzijdig beëindigen na columns ouder

Klachtenloket Kinderopvang



Commissie: kinderopvang    Categorie: -    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 1283616/1297407

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Een consument klaagde omdat haar opvangovereenkomst eenzijdig door de ondernemer werd beëindigd nadat zij in columns haar persoonlijke ervaringen had beschreven over een situatie waarin een pedagogisch medewerker een relatie kreeg met haar ex-partner. Volgens de ondernemer hadden de publicaties geleid tot een ernstige vertrouwensbreuk, waardoor samenwerking onmogelijk zou zijn. De commissie oordeelde echter dat de columns slechts de subjectieve beleving van de consument weergeven en geen bedreigende of schadelijke uitlatingen bevatten. Dat medewerkers zich terughoudend voelden in het contact met de consument, was volgens de commissie onvoldoende zwaarwegend om beëindiging te rechtvaardigen. Ook had de ondernemer onvoldoende alternatieven onderzocht, zoals overplaatsing van de medewerker of de kinderen. Omdat geen sprake was van een zwaarwegende reden, bleef de opvangovereenkomst in stand. De klacht werd gegrond verklaard en de ondernemer moet het klachtengeld van €25 aan de consument vergoeden.

De uitspraak

Onderwerp van het geschil

De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.

Het geschil betreft de vraag of een zwaarwegende reden bestond voor eenzijdige beëindiging van de opvangovereenkomst door de ondernemer en of de beëindiging zorgvuldig heeft plaatsgevonden.

Standpunt van de consument

Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dat op het volgende neer.

De consument heeft geklaagd over de affectieve relatie die op de opvang is ontstaan tussen haar (inmiddels ex-)partner en een pedagogisch medewerker. De pedagogisch medewerker was de mentor van haar kind en deed zich zeer vriendelijk, meelevend en geïnteresseerd voor, ook toen zij reeds de relatie met de ex-partner van de consument was begonnen (zonder dat de consument daarvan op de hoogte was). De consument vindt dit ongepast, grensoverschrijdend en een ernstige schending van de gedragscode voor medewerkers in de kinderopvangsector.

Daarnaast heeft de pedagogisch medewerker zonder toestemming van de consument een vertrouwelijke e-mail die aan de babygroep was gestuurd, voorgelezen aan de ex-partner van de consument. Hiermee is de privacy van de consument geschonden.

De ondernemer heeft de zorgen en klachten van de consument onvoldoende serieus genomen. De consument ervaarde dat de situatie werd gebagatelliseerd en dat de pedagogisch medewerker in bescherming werd genomen. Ook is de gedragscode ten aanzien van relaties met ouders aangepast na de klacht van de consument, waardoor het lijkt alsof de situatie wordt afgedekt.

Op vrijdagavond 8 augustus 2025 heeft de ondernemer per e-mail laten weten dat het verzoek van de consument om in gesprek te gaan wordt afgewezen en dat zij de opvangovereenkomst eenzijdig ontbindt. Vanaf 8 september 2025 zijn de kinderen van de consument niet meer welkom bij de ondernemer.

De consument heeft altijd een goede samenwerking gehad met de pedagogisch medewerkers van zowel de dreumesgroep als de BSO. De door de ondernemer geschetste situatie en het vermeende “spanningsveld” herkent de consument niet. De redenen die de ondernemer aanvoert (over het maken van foto’s, opnemen van gesprekken en het schrijven van anonieme columns), zijn feitelijk onjuist en buiten proportie. De bedoelde columns zijn volledig geanonimiseerd en voldoen aan de Leidraad voor de journalistiek.

Standpunt van de ondernemer

Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dat op het volgende neer.

De ondernemer heeft de overeenkomst met de consument beëindigd vanwege een langdurige en ernstige vertrouwensbreuk. De vertrouwensbreuk is gelegen in de opnamen die de consument van gesprekken heeft gemaakt en met name in de wijze waarop zij haar ervaring beschrijft in de door haar gepubliceerde columns.

Nadat bekend werd dat een pedagogisch medewerker een relatie is aangegaan met de ex-partner van de consument, heeft de ondernemer al het mogelijke gedaan om de vertrouwensband met de consument te herstellen, in het belang van haar kinderen. Zo is de betreffende pedagogisch medewerker tijdelijk op non-actief gesteld en is het kind van de consument naar een andere opvanggroep doorgestroomd.

De ondernemer had hierbij echter de voorwaarde gesteld dat de consument geen gesprekken met medewerkers (meer) zou opnemen en dat zij niet over de ondernemer zou publiceren. Helaas heeft de consument ervoor gekozen de opvang publiekelijk in diskrediet te brengen middels een publicatie in een landelijk weekblad. Daarmee is de vertrouwensband definitief verbroken, waardoor de ondernemer niet meer met de consument samen de zorg voor haar kinderen kan vormgeven. De ondernemer zag zich dan ook genoodzaakt de opvang te beëindigen.

Beoordeling van het geschil

Toetsingskader
De ondernemer hanteert eigen Algemene Voorwaarden, niet zijnde de Algemene Voorwaarden die door de brancheorganisaties in de kinderopvangsector zijn opgesteld. Hierin zijn geen bepalingen opgenomen ten aanzien van beëindiging van de overeenkomst door de ondernemer.

Ingevolge ECLI:NL:HR:2023:198 dient de commissie bij de beoordeling van het voorliggende geschil uit te gaan van het feit dat een opvangovereenkomst als de onderhavige een overeenkomst van opdracht is in de zin van artikel 7:400 BW. Op deze overeenkomst is artikel 7:408 BW van toepassing. Op grond van dit artikel kan een ondernemer de overeenkomst alleen opzeggen indien sprake is van gewichtige (zwaarwegende) redenen.

Een consument die het niet eens is met de beslissing van de ondernemer de overeenkomst eenzijdig te beëindigen kan een verkorte procedure bij de commissie starten, zoals in dit geval is gebeurd.

Bij de commissie ligt dan ook de vraag voor of in het onderhavige geschil sprake is van een zwaarwegende reden die de eenzijdige beëindiging van de overeenkomst rechtvaardigt.

Is sprake van een zwaarwegende reden?
De ondernemer heeft de gepubliceerde columns als zwaarwegende reden aangevoerd voor eenzijdige beëindiging van de opvangovereenkomst. Volgens de ondernemer geven de columns een onjuist en onvolledig beeld van het gesprek dat heeft plaatsgevonden op 7 april jl. In de visie van de ondernemer wordt in de columns de suggestie gewekt dat geen maatregelen zijn getroffen naar aanleiding van het handelen van de betrokken pedagogisch medewerker, terwijl de ondernemer van mening is dat zij wel degelijk – en meer dan toereikend – is opgetreden. Volgens de ondernemer heeft dit geleid tot een ernstige vertrouwensbreuk in de relatie met de consument. Daarbij stelt de ondernemer dat haar medewerkers zich niet langer vrij voelen om tijdens overdrachtsmomenten in alle openheid met de consument te communiceren, uit vrees dat hun uitlatingen in enige vorm openbaar worden gemaakt.

Naar het oordeel van de commissie heeft de ondernemer onvoldoende gemotiveerd dat de columns hebben geleid tot een ernstige vertrouwensbreuk. De commissie maakt uit de overgelegde columns slechts op dat de tekst de persoonlijke, subjectieve beleving van de consument verwoord.

De commissie begrijpt dat uit de inhoud van de columns ouders en medewerkers mogelijk de onderneming herkennen, mede gelet op de daarin opgenomen naam en foto van de consument. Desondanks bieden de columns geen grond om te concluderen dat sprake is van een ernstige vertrouwensbreuk. De consument heeft daarin enkel de door haar ervaren emoties tijdens het gesprek van 7 april jl. verwoord. Gezien de naar het oordeel van de commissie zeer ernstige schending van de destijds geldende gedragscode door de betrokken pedagogisch medewerker, acht de commissie het voorstelbaar dat de consument door de situatie diep geraakt is. De columns bevatten echter geen bedreigende of negatief gerichte uitlatingen jegens de ondernemer. Bovendien heeft de ondernemer haar standpunt ten aanzien van de inhoud en impact van de columns niet nader geconcretiseerd.

Het enkele feit dat medewerkers van de ondernemer zich door de columns terughoudend opstellen in de communicatie met de consument, acht de commissie evenmin van voldoende gewicht om te kunnen spreken van een ernstige vertrouwensbreuk. Van een professionele organisatie als die van de ondernemer mag worden verwacht dat medewerkers op een pedagogisch verantwoorde wijze om kunnen gaan met dergelijke situaties, zo nodig onder begeleiding.

Daarbij komt dat de consument de gestelde vertrouwensbreuk uitdrukkelijk heeft betwist. Ondanks de voor haar ingrijpende en pijnlijke ervaring met de betrokken pedagogisch medewerker, heeft de consument ter zitting verklaard volledig vertrouwen te hebben in de overige pedagogisch medewerkers en de opvang voor haar kinderen als positief te ervaren.

In zoverre is de klacht van de consument gegrond.

Alternatieve oplossingen
De ondernemer heeft aangevoerd dat zij naar eigen inzicht meer dan voldoende inspanningen heeft verricht om de consument zo goed mogelijk te faciliteren. De commissie volgt dit standpunt niet.

Op grond van de overgelegde stukken en de verklaringen ter zitting kan de commissie niet vaststellen dat de ondernemer daadwerkelijk en in voldoende mate heeft getracht een alternatieve oplossing te vinden voor de eenzijdige beëindiging van de opvangovereenkomst. Weliswaar is het kind van de consument naar een andere groep doorgestroomd, maar dit neemt niet weg dat de consument de betrokken pedagogisch medewerker op de opvang nog steeds met regelmaat tegenkomt. Daarbij is niet gebleken dat de betreffende medewerker pogingen heeft ondernomen de consument te vermijden. De ondernemer heeft deze stelling van de consument niet weersproken.

Het door de ondernemer tijdelijk op non-actief stellen van de betrokken pedagogisch medewerker acht de commissie begrijpelijk en in de gegeven omstandigheden noodzakelijk ter voorkoming van verdere onrust. Dit betreft echter een kortetermijnmaatregel en kan niet worden aangemerkt als een structurele of duurzame oplossing voor het onderliggende probleem.

Desgevraagd heeft de ondernemer ter zitting bevestigd dat zij geen contact heeft gezocht met andere opvangorganisaties in de regio teneinde mogelijke alternatieve oplossingen te verkennen. Naar het oordeel van de commissie had het op de weg van de ondernemer gelegen om in dit verband actief onderzoek te doen naar alternatieven, zoals het (tijdelijk) overplaatsen van de betrokken medewerker of – in overleg met de consument – de kinderen van de consument naar een andere opvangorganisatie. De commissie kan niet concluderen dat de ondernemer de tijd heeft genomen om in gezamenlijkheid tot een structurele oplossing te komen in het belang van de kinderen van de consument.

Conclusie
Nu geen sprake is van een zwaarwegende reden die de eenzijdige opzegging van de plaatsingsovereenkomst rechtvaardigt, blijft de plaatsingsovereenkomst van de consument ongewijzigd in stand. De consument dient dan ook op de gebruikelijke wijze gebruik te kunnen blijven maken van de opvang van de ondernemer, waarbij de commissie ervan uitgaat dat beide partijen zich coöperatief zullen blijven opstellen in het belang van de kinderen van de consument.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht gegrond is.

Klachtengeld
Aangezien de klacht van de consument gegrond wordt verklaard, dient het klachtengeld overeenkomstig het reglement van de commissie voor rekening van de ondernemer te komen.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht van de consument gegrond;
– bepaalt dat de consument op gebruikelijke tijd en wijze gebruik dient te kunnen blijven maken van
de opvang van de ondernemer;
– bepaalt dat de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 25,– aan de consument dient te vergoeden ter zake van het klachtengeld.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Kinderopvang, bestaande uit mevrouw mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, mevrouw mr. S.A.M.F. Sjoukes, mevrouw J.M.A. van Haren, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort, secretaris, op 19 augustus 2025.