Kinderopvang mocht extra ondersteuning eisen voor opvang van kind

Klachtenloket Kinderopvang



Commissie: kinderopvang    Categorie: (on)zorgvuldig handelen    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 1323477/1327493

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De zaak gaat over een jongen met een vermoeden van autisme (ASS) die al jaren naar dezelfde kinderopvang gaat. De opvang merkte dat hij veel moeite heeft met overgangsmomenten, snel overprikkeld raakt en dan gaat gillen, huilen of spullen gooien. Volgens de opvang heeft hij daardoor extra begeleiding nodig. Vanaf januari 2026 wilde de opvang hem alleen nog opvangen als er ondersteuning van het WIJ‑team aanwezig was. De moeder vond dit onterecht en stelde dat haar zoon geen gevaar vormt en dat de opvang onvoldoende heeft gezocht naar oplossingen. De Geschillencommissie oordeelt dat de opvang in haar recht staat: de jongen heeft een verhoogde zorgbehoefte en kan zonder extra hulp niet op de gebruikelijke manier worden opgevangen. De opvang heeft de moeder tijdig geïnformeerd en zich voldoende ingespannen om alternatieven te zoeken. Daarom is de klacht ongegrond. Inmiddels gaat de jongen weer drie dagdelen per week naar de opvang met ondersteuning van het WIJ‑team.

De volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.

Het geschil betreft de door de ondernemer gestelde voorwaarde dat de zoon van de consument vanaf januari 2026 alleen opvang kan ontvangen met extra externe ondersteuning.

Standpunt van de consument

Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dat op het volgende neer.

De zoon van de consument gaat sinds hij drie maanden oud is drie dagen per week naar de kinderopvang. In mei 2025 heeft de kinderopvang zorgen gemeld met betrekking tot de ontwikkeling van de zoon van de consument. De consument heeft dit serieus genomen en heeft het consultatiebureau ingeschakeld. Pas in oktober kon hij terecht bij de Jeugd GGZ en is een vermoeden van ASS gediagnostiseerd.

In maart 2026 zal de zoon van de consument waarschijnlijk gaan starten met een behandeling bij een behandelcentrum. Tot die tijd wenst de consument conform de overeenkomst gebruik te maken van opvang bij de ondernemer.

De ondernemer heeft echter op 24 december 2025 aangegeven dat de zoon van de consument vanaf
1 januari 2026 niet meer welkom is, als de ondernemer geen extra ondersteuning krijgt van het WIJ-team van de gemeente. Deze ondersteuning is inmiddels toegezegd voor drie dagdelen per week, maar de consument is van mening dat de ondernemer hierin méér kan doen.

De zoon van de consument vormt geen gevaar voor andere kinderen, ouders, medewerkers of zichzelf. Hij kan zelfstandig spelen. Er lijkt geen goede onderbouwing te zijn waarom hij niet opgevangen kan worden. Ook heeft de ondernemer onvoldoende gezocht naar alternatieve oplossingen.

Standpunt van de ondernemer

Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dat op het volgende neer.

Van eenzijdige opzegging van de overeenkomst is geen sprake. Wel kan de opvang niet worden gerealiseerd zolang geen ondersteuning vanuit het WIJ-team van de gemeente beschikbaar is. De gedragsproblematiek bij de zoon van de consument is van dien aard dat reguliere kinderopvang niet passend voor hem is.

De zoon van de consument heeft veel moeite met schakelmomenten in het dagritme, waarbij veel persoonlijke aandacht nodig is om de zoon van de consument mee te nemen in de verandering. Ook is hij snel overprikkeld, wat zich uit in gillen, huilen, gooien met spullen en eten en het uiten van weerstand. Reeds in mei 2025 is daarom het Protocol Opvallend Gedrag gestart en is met de consument gesproken over de zorgen. Ook het WIJ-team herkent het voornoemde gedrag bij de zoon van de consument.

Dit alles maakt dat gebruikelijke opvang niet van de ondernemer kan worden verwacht, zonder inzet van extra externe begeleiding. In december 2025 heeft de ondernemer zelf extra begeleiding kunnen inzetten, maar met de consument is tijdig en expliciet gecommuniceerd dat de consument hier vanaf januari 2026 zelf voor verantwoordelijk is, via het WIJ-team van de gemeente.

Beoordeling van het geschil

Toetsingskader
Op grond van artikel 10 lid 2 en 3 van de Algemene Voorwaarden voor Kinderopvang, Dagopvang en Buitenschoolse opvang heeft de ondernemer het recht het kind en/of de ouder de toegang tot de locatie te weigeren voor de duur van de periode dat een normale opvang van het kind redelijkerwijs niet van de ondernemer mag worden verwacht en het kind niet op de gebruikelijke wijze kan worden opgevangen.

Hiervan kan conform artikel 10 lid 2 sub a en b sprake zijn als het kind extra verzorgingsbehoeftig is, of het kind en/of de ouder een risico of bedreiging vormt voor de geestelijke dan wel lichamelijke gezondheid of veiligheid van anderen en/of de dienstverlening van de ondernemer aan (de kinderen van) andere ouders belemmert of onevenredig verzwaart.

Voordat de ondernemer op deze laatste grond de toegang weigert, waarschuwt de ondernemer de ouder, tenzij een waarschuwing redelijkerwijs niet kan worden verlangd vanwege de ernst of de spoed.

Als de ondernemer het kind en/of de ouder de toegang weigert, treedt de ondernemer met de consument in overleg om te zoeken naar een voor alle partijen acceptabele oplossing voor de situatie.

Op grond van artikel 10 lid 4 van de Algemene Voorwaarden kan een consument die het niet eens is met de beslissing van de ondernemer de toegang te weigeren een verkorte procedure bij de commissie starten, zoals in dit geval is gebeurd.

Beoordeling
Tussen partijen is niet in geding dat de zoon van de consument bij de ondernemer niet op zijn plaats is. In verband met de gedragsproblematiek, die vermoedelijk voortvloeit uit de bij hem vastgestelde ASS-diagnose, is de consument reeds doende met het zoeken naar een beter passende opvangvoorziening waar haar zoon de benodigde begeleiding kan ontvangen. De observaties van het WIJ-team, zoals in november 2025 met de consument besproken, bevestigen het vertoonde gedrag van de zoon van de consument, te weten onder meer gillen en frustratie, alsmede onrust en weerstand bij overgangsmomenten. De consument heeft de aard en ernst van de bij de ondernemer geconstateerde gedragsproblematiek ook niet weersproken.

De commissie stelt in dit verband vast dat bij de zoon van de consument sprake is van een verhoogde zorgbehoefte, hetgeen leidt tot een
. Onweersproken is immers dat de zoon van de consument in het bijzonder tijdens overgangsmomenten in de dagstructuur intensieve individuele begeleiding behoeft.

Onder deze omstandigheden kan van de ondernemer in redelijkheid niet worden gevergd dat hij de zoon van de consument binnen het reguliere opvangaanbod opvangt. Zonder inzet van externe ondersteuning is opvang op de gebruikelijke wijze niet mogelijk.

De commissie is van oordeel dat aan de (tijdelijke) ontzegging van de toegang tot de opvang een gerechtvaardigde reden ten grondslag lag. Ook heeft de ondernemer de consument tijdig geïnformeerd en haar erop gewezen dat opvang in de maand januari 2026 slechts mogelijk was indien externe ondersteuning beschikbaar was. Het standpunt van de consument dat deze voorwaarde niet uit het gesprek van 4 december 2025 blijkt, volgt de commissie niet. Uit het gespreksverslag en de daaropvolgende correspondentie blijkt ondubbelzinnig dat deze voorwaarde door de ondernemer is gesteld.

In zoverre is de klacht van de consument ongegrond.

Alternatieve oplossingen en communicatie
Ter zitting heeft de consument toegelicht dat haar klacht mede betrekking heeft op een gestelde tekortschietende communicatie en een gebrek aan medewerking van de ondernemer bij het zoeken naar alternatieve opvangoplossingen.

De commissie volgt dit standpunt uitdrukkelijk niet. Naar het oordeel van de commissie heeft de ondernemer zich in ruime mate ingespannen om te komen tot een werkbare opvangsituatie, hetzij met inzet van externe ondersteuning, hetzij door te bemiddelen naar een andere, meer passende opvangvoorziening. Zo is reeds in mei 2025 met de consument gesproken over plaatsing op de locatie Vossehol, waar met kleinere groepen en aanvullende ondersteuning wordt gewerkt. De consument heeft deze optie om haar moverende redenen van de hand gewezen.

Dat de door de ondernemer aangedragen alternatieven veelal langdurige trajecten betroffen of op dat moment door de consument niet als passend werden ervaren, rechtvaardigt niet de conclusie dat de ondernemer onvoldoende inspanningen heeft geleverd om alternatieve oplossingen te vinden. Integendeel: zelfs ter zitting heeft de ondernemer nog getracht een alternatieve opvangplek op locatie Vossehol te realiseren, hetgeen op dat moment niet meer mogelijk bleek.

Ook ten aanzien van de communicatie kan de ondernemer naar het oordeel van de commissie geen verwijt worden gemaakt. Uit de overgelegde correspondentie blijkt dat de ondernemer zich herhaaldelijk heeft ingespannen om de consument te informeren, te betrekken bij de besluitvorming en met haar in overleg te blijven. De commissie leidt uit deze stukken veeleer af dat het uitblijven van (tijdige) communicatie, met name in de periode na de zomervakantie, aan de zijde van de consument is gelegen.

Conclusie
De klacht van de consument is ongegrond. De ondernemer heeft op gerechtvaardigde gronden de voorwaarde gesteld dat opvang slechts mogelijk is met inzet van externe ondersteuning. Verder heeft de ondernemer zich in voldoende mate ingespannen passende alternatieve oplossingen te vinden en heeft hij de consument hierover op zorgvuldige en transparante wijze geïnformeerd.

Inmiddels maakt de zoon van de consument weer gedurende drie dagdelen per week gebruik van de opvang, met inzet van het WIJ-team. De commissie heeft begrip voor de impact die deze situatie heeft op het dagelijks leven van de consument, maar is van oordeel dat in redelijkheid niet kan worden verlangd dat de ondernemer verdergaande inspanningen verricht dan reeds zijn geleverd.
Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Kinderopvang, bestaande uit mevrouw mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, mevrouw mr. S.A.M.F. Sjoukes, mevrouw J.M.A. van Haren, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort, secretaris, op 4 februari 2026.