Geschil over kinderopvangfacturen: interpretatie van meer-uren en pre-schoolbijdrage centraal

Klachtenloket Kinderopvang



Commissie: kinderopvang    Categorie: -    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 1101321/1118052

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De consument diende een klacht in over twee facturen van de kinderopvangorganisatie: één voor zogenoemde “meer-uren” in januari 2025 en één voor een jaarlijkse bijdrage aan het pre-schoolprogramma. Volgens de consument klopt de factuur voor meer-uren niet, omdat het opvangcontract gebaseerd is op een jaaromvang van 468 uur en er geen sprake was van overschrijding. De ondernemer stelde echter dat opgebouwde spaar-uren zijn vervallen per 1 januari en daarom extra uren zijn gefactureerd. De commissie volgde het standpunt van de consument: op jaarbasis is geen overschrijding geconstateerd, en de facturatie van extra uren was daarom onterecht. Over de pre-schoolbijdrage oordeelde de commissie dat het voor de consument redelijk was om aan te nemen dat “jaar” sloeg op een schooljaar, zeker gezien de aard van het programma. Omdat de kinderen slechts kort deelnamen, acht de commissie het onredelijk om het volledige bedrag in rekening te brengen. Ook dit klachtonderdeel werd gegrond verklaard. De ondernemer moet de ten onrechte gefactureerde bedragen terugbetalen en het klachtengeld van € 25 vergoeden. De commissie wees er ten slotte op dat de communicatie van de consument niet als onprofessioneel kan worden aangemerkt.

De uitspraak

Onderwerp van het geschil

De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.

Het geschil betreft de vraag of de ondernemer de kosten voor de meer-uren en de pre-school gerechtvaardigd in rekening heeft gebracht.

Standpunt van de consument

Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De consument heeft een geschil over de interpretatie van de overeenkomst en twee ontvangen facturen.

Allereerst ontving de consument in maart 2025 twee facturen van € 70, — omdat de consument in januari 2025 meer uren zou hebben afgenomen. In de maand januari 2025 zaten vijf vrijdagen, maar dit betreft volgens de consument geen meer-uren.
De consument heeft namelijk een overeenkomst van 9 uur per week per kind, voor de vrijdagen, 52 weken per jaar. Dat komt neer op 39 uur per maand. Maanden met vier vrijdagen worden niet terugbetaald, maar komen bij het spaarsaldo. Dit saldo kan worden gebruikt om maanden met vijf vrijdagen te bekostigen. Maar het spaarsaldo vervalt twee keer per jaar, dus indien de vijfde vrijdag direct na de vervaldatum plaatsvindt, krijgen consumenten een afrekening.

Ten tweede ontving de consument een factuur voor de zogenoemde pre-school van € 75, — per jaar. Dit betreft een programma binnen de reguliere opvanguren. Ook als een kind slechts één maand gebruik maakt van pre-school, wordt het hele jaarbedrag in rekening gebracht.

De consument is het niet eens met de ontvangen facturen en de ondernemer dreigt met opschorting van de overeenkomst als de consument de openstaande facturen niet betaald.

Standpunt van de ondernemer

Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Meer-uren
Zowel in de plaatsingsovereenkomst als in de algemene voorwaarden staat vermeld dat betaling van “meer-uren” achteraf afgerekend worden, wanneer er geen sprake meer is van de eventuele inzet van zogeheten spaar-uren. Meer-uren zijn uren die het contractvolume overstijgen en op twee manieren kunnen worden voldaan: met eventuele “spaar-uren” (eerder opgebouwde uren door afwezigheid van het kind) of facturatie achteraf bij het gebrek of afwezigheid van eventuele spaar-uren. Deze spaar-uren vervallen per 1 januari en 1 juli van het lopende jaar. De consument heeft aan afrekening ontvangen voor januari 2025, omdat hij geen saldo meer had aan spaar-uren (reeds vervallen per 1 januari 2025) en hij het urenvolume van zijn plaatsingsovereenkomsten had overschreden.

De consument heeft getekend voor het bovengenoemde beleid. Ook heeft de consument in augustus 2024 reeds eenzelfde afrekening ontvangen en hiertegen geen protest aangetekend.

Pre-school
De ondernemer biedt een pre-school programma aan. In de plaatsingsovereenkomst en de algemene voorwaarden staat opgenomen dat hiervoor € 75, — per jaar in rekening wordt gebracht.

Uitblijven betaling
Bij het niet voldoen aan een betalingsverplichting is de ondernemer genoodzaakt om maatregelen te nemen, zoals vermeld in artikel 10.5 en artikel 17 van de algemene voorwaarden. Het zwaarwegend belang (artikel 10.5) in deze is dat de ondernemer een kleinschalige organisatie is met een zeer hoge kwaliteit en een hoge inzet van personeel, tegen minimale kosten. Het uitblijven van een betaling kan ertoe leiden dat de continuïteit van de kwaliteit en bezetting ernstig in het geding komt. Bovendien is door de consument ook daadwerkelijk gebruikgemaakt van hetgeen waarvoor de kosten in rekening gebracht zijn.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

Niet tussen partijen in het geding is de omvang en reikwijdte van het contract van de consument. De consument betaalt voor 52 weken maal 9 uur, wat neerkomt op 468 uur per jaar. Per maand komt dat uit op 39 uur.

Factuur meer-uren
De maand januari 2025 bevatte vijf vrijdagen. De consument heeft voor de vijfde vrijdag een factuur ontvangen. De consument had namelijk geen spaar-uren meer, omdat die uren tweemaal per jaar (per 1 juli en 1 januari) komen te vervallen. De ondernemer heeft daarom het verschil in uren (tussen de maandelijkse 39 uur en de afgenomen 45 uur in januari 2025) nagefactureerd.

Uit de Algemene Voorwaarden van de ondernemer blijkt dat onder meer-uren uren worden verstaan die buiten het contractuele urenvolume vallen. In het onderhavige geschil is echter geen sprake van contractoverschrijding: de consument heeft immers voor 468 uur per jaar betaald en niet meer uren afgenomen dan zijn contract toelaat. Dat de maand januari 2025 een extra vrijdag bevatte, doet daar niet aan af. Op jaarbasis komt het aantal afgenomen uren immers uit op 468 uur.

Het is voor de commissie dan ook geenszins navolgbaar dat de ondernemer van mening is dat meer uren zijn afgenomen dan de overeenkomst toelaat. De consument betaalt voor 468 uur per jaar en heeft niet méér uren afgenomen. Dat de ondernemer een systeem van meer-uren hanteert die halfjaarlijks komen te vervallen, doet aan deze berekening niet af.

Naar het oordeel is dan ook sprake van ongerechtvaardigde betaling. De ondernemer dient de meer-uren factuur van januari 2025 aan de consument te vergoeden.

Dit klachtonderdeel is dan ook gegrond.

Factuur pre-school
De ondernemer biedt een zogenoemd pre-schoolprogramma aan waarin aan kinderen, op basis van de Montessori-pedagogiek, ontwikkelingsgerichte activiteiten worden aangeboden. In de met consumenten gesloten overeenkomst is opgenomen dat voor deelname aan dit programma een jaarlijkse bijdrage van € 75, – is vereist ten behoeve van leermiddelen en materialen.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de ondernemer toegelicht dat deze bijdrage onder meer ziet op de aanschaf van stickervellen, gepersonaliseerde boekjes en een kindportret. Deelname aan het pre-schoolprogramma is verplicht gesteld, er bestaat geen mogelijkheid tot opt-out.

Tussen partijen in het geding is in het kader van de te betalen bijdrage de uitleg van de term “jaar”. De ondernemer stelt zich op het standpunt dat dit een vast bedrag betreft per kalenderjaar, ongeacht de duur van deelname aan het pre-schoolprogramma. De consument daarentegen meent dat met “jaar” een schooljaar wordt bedoeld en is van mening dat, nu zijn kinderen slechts korte tijd aan het programma hebben deelgenomen, het onredelijk is om het volledige bedrag van € 75, – per kind te moeten voldoen.

Op grond van de zogenaamde Haviltex-norm is bij de uitleg van overeenkomsten bepalend wat partijen over en weer redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, gelet op de bewoordingen van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval. Het komt dan ook niet uitsluitend aan op de taalkundige uitleg van de term “jaar”, maar op de zin die partijen in de gegeven context daaraan mochten toekennen.

Naar het oordeel van de commissie kan de uitleg van de ondernemer (dat het een vast bedrag betreft per kalenderjaar) niet worden gevolgd. Doorslaggevend is hierbij dat van een professionele ondernemer verwacht mag worden dat hij duidelijkheid verschaft over kosten, zeker waar sprake is van verplichte afname en aanvullende kosten. De overeenkomst niet uitdrukkelijk vermeldt dat met “jaar” een kalenderjaar wordt bedoeld. Het had op de weg van de ondernemer gelegen om, indien het de bedoeling was om de kosten per kalenderjaar ongeacht de duur van feitelijke deelname in rekening te brengen, dit expliciet in de overeenkomst en de Algemene Voorwaarden op te nemen. Nu dit is nagelaten, dient dit voor rekening en risico van de ondernemer te komen.

Verder is het voor de consument, mede gelet op de aard van de dienst (een programma in het kader van kinderopvang), voor de hand ligt om aan te nemen dat met “jaar” het gebruikelijke schooljaar wordt bedoeld, zeker nu dit programma inhoudelijk is gekoppeld aan de gang van zaken binnen een schoolse setting.

De commissie concludeert, gelet op de Haviltex-maatstaf, dat de consument redelijkerwijs mocht verwachten dat de kosten van € 75, – betrekking zouden hebben op een volledig schooljaar. Nu de beide kinderen van de consument slechts enkele maanden aan het programma hebben deelgenomen, acht de commissie het onredelijk om de volledige bijdrage in rekening te brengen. De ondernemer dient dit te verrekenen.

Dit klachtonderdeel is dan ook gegrond.

Conclusie
De klachten van de consument zijn gegrond. De ondernemer dient de te veel gefactureerde uren van januari 2025 terug te betalen en het betaalde bedrag voor het pre-schoolprogramma naar rato van deelname te verrekenen en te vergoeden.

Verder dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 25, – aan de consument te vergoeden ter zake van het klachtengeld.

Communicatie
Ten overvloede merkt de commissie nog het volgende op. De ondernemer heeft aangevoerd de communicatie door de consument, bijvoorbeeld de klachtmail van 28 maart 2025, als onprettig en conflict zoekend te hebben ervaren. Uit de overgelegde correspondentie kan de commissie echter geenszins opmaken dat sprake is van ongepaste of onprofessionele communicatie. Dat de consument om uitleg en transparantie verzoekt kan de commissie niet als onprettig aanmerken, zeker nu de consument benadrukt tevreden te zijn over de opvang voor zijn kinderen.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie:
– verklaart de klachten van de consument gegrond;
– bepaalt dat de ondernemer de in rekening gebrachte meer-uren van januari 2025 aan de consument dient te vergoeden binnen 14 dagen na verzending van dit bindend advies;
– bepaalt dat de ondernemer de kosten van het pre-schoolprogramma naar rato van deelname van de kinderen van de consument dient te verrekenen en aan de consument dient te vergoeden binnen 14 dagen na verzending van dit bindend advies;
– bepaalt dat de ondernemer het door de consument betaalde klachtengeld van € 25, — aan de consument dient te vergoeden binnen 14 dagen na verzending van dit bindend advies.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Kinderopvang, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, mevrouw mr. S.A.M.F. Sjoukes, de heer H. Stel, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort, secretaris, op 14 juli 2025.