Commissie: kinderopvang
Categorie: -
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies
Uitkomst: ten dele gegrond
Referentiecode:
774027/934375
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
Een consument heeft een geschil met een kinderopvangondernemer aanhangig gemaakt nadat haar zoontje, toen zeven maanden oud, op een opvangdag zonder duidelijke oorzaak een gebroken been opliep. Zowel de opvang als het ziekenhuis konden geen exacte toedracht vaststellen. Aanvankelijk verliep het contact tussen partijen goed, maar het vertrouwen van de consument raakte ernstig beschadigd toen de ondernemer in een ongevallenformulier suggereerde dat het letsel mogelijk door toedoen van de moeder was ontstaan. De consument zegde daarop de opvangovereenkomst per direct op en bracht haar kind niet meer terug. De ondernemer accepteerde de opzegging, maar hield vast aan betaling van de contractuele opzegtermijn van één maand. Ook wilde de consument compensatie voor niet-gebruikte ruildagen en gemaakte reis- en parkeerkosten voor ziekenhuisbezoeken. De commissie beoordeelde of er sprake was van een uitzonderlijke situatie die rechtvaardigde dat de opzegtermijn niet hoefde te worden voldaan. Daarbij werd het eenzijdig aanwijzen van de moeder als mogelijke oorzaak zonder bewijs als zwaarwegend gezien. Het vertrouwen tussen partijen was daardoor volgens de commissie onherstelbaar beschadigd. De ruildagen vielen volgens de regels onder een extra service en hoefden niet gecompenseerd te worden. Voor de reiskosten verklaarde de commissie de consument niet-ontvankelijk, omdat deze onder letselgerelateerde schade vallen waarvoor de commissie niet bevoegd is. De commissie kwam tot een gedeeltelijk gegrond oordeel.
De uitspraak
Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Kinderopvang (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.
De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.
Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen. De behandeling heeft plaatsgevonden op 27 maart 2025 te Den Haag. De consument was ter zitting aanwezig samen met haar echtgenoot. Namens de ondernemer zijn mevrouw [naam] (eigenaresse) en haar collega ter zitting verschenen. De ondernemer werd bijgestaan door haar advocaat, mevrouw [naam].
Onderwerp van het geschil
Het kind van de consument heeft zonder duidelijke oorzaak zijn been gebroken op een dag dat hij op de opvang was. Door de ondernemer is op het ongevallenformulier genoteerd dat de breuk mogelijk is ontstaan op het moment dat de moeder het kind uit de kinderstoel heeft gehaald. De consument heeft het contract bij de ondernemer opgezegd, omdat haar vertrouwen met name door de onterechte beschuldiging en het verharden van de verhoudingen hierna dusdanig is beschadigd, dat verdere voortzetting van de overeenkomst niet mogelijk is. De ondernemer heeft de opzegging gehonoreerd, maar houdt de consument aan het betalen van de opzegtermijn.
Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Op 1 juli 2024 heeft de consument haar zoontje (toen 7 maanden) na een dag opvang bij de ondernemer opgehaald. Een dag later bleek dat het been van het zoontje was gebroken. In het ziekenhuis kon niet worden vastgesteld op welk moment en op welke manier het been is gebroken. Ook de ondernemer stelt niet te weten hoe de breuk is ontstaan. De consument heeft meermaals met de ondernemer gesproken over het incident en in die gesprekken werd herhaald dat de oorzaak van de breuk voor de ondernemer onbekend was. Tijdens de gesprekken worden er dingen gezegd en aangehaald, die in mailcontact door de ondernemer weer weerlegd of anders uitgelegd worden aldus de consument. De consument kreeg na een gesprek het ongevallenregistratieformulier mee naar huis met het verzoek deze voor akkoord te tekenen. In dit formulier is opgenomen dat de ondernemer denkt dat het zoontje vast heeft gezeten in de kinderstoel en bij het eruit halen door zijn moeder op dat moment zijn been heeft gebroken.
Door deze beschuldiging en de verharding in de communicatie erna is het vertrouwen in de ondernemer dusdanig beschadigd, dat verdere voortzetting van de overeenkomst niet mogelijk is en de consument de overeenkomst met de ondernemer heeft opgezegd. De consument heeft haar zoontje na het incident niet meer naar de opvang gebracht. De ondernemer heeft daarom een coulancevoorstel gedaan en de kosten van de maand dat het zoontje niet naar de opvang ging, kwijtgescholden. De ondernemer houdt de consument wel aan het betalen van de maand opzegtermijn.
Als oplossing van het geschil stelt de consument voor dat een bedrag van €879,11 (de maand opzegtermijn) wordt kwijtgescholden. Ook wenst de consument een vergoeding te zien voor de reeds opgebouwde ruildagen en de kosten die zijn gemaakt voor de ziekenhuisbezoeken.
Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De ondernemer vindt het verschrikkelijk wat er op 1 juli 2024 is gebeurd, maar weet niet precies wat het letsel bij het zoontje heeft veroorzaakt. De ondernemer heeft wel een vermoeden en heeft dit vermoeden ook op het ongevallenformulier genoteerd en met de gemeente zo besproken, maar de ondernemer kan niets met zekerheid zeggen. De consument is een plaatsingsovereenkomst aangegaan met de ondernemer en is akkoord gegaan met de algemene voorwaarden van de ondernemer. In artikelen 7 en 10 van de algemene voorwaarden is opgenomen dat de consument voor de in acht te nemen opzegtermijn kosten is verschuldigd. De ondernemer houdt de consument hier aan. De ondernemer maakt geen onderscheid tussen verschillende ouders en verschillende redenen van opzegging. Het niet (langer) hebben van vertrouwen in de opvang is volgens de ondernemer geen maatstaf om dan maar niet de opzegtermijn te betalen. Ten aanzien van de opgebouwde ruildagen geldt dat ouders deze dagen op een ander moment eventueel mogen inzetten binnen hetzelfde kalenderjaar, mits de bezetting het toe laat. Dit is een extra service die wordt aangeboden en als de overeenkomst wordt opgezegd, vervallen deze dagen en worden die niet gecompenseerd. Ten aanzien van de gemaakte reis- en parkeerkosten stelt de ondernemer dat de consument niet-ontvankelijk is op grond van artikel 5 sub a van het reglement.
De ondernemer verzoekt de commissie dan ook de klachten ongegrond te verklaren.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
De commissie is gevraagd een oordeel te geven over de klacht die bestaat uit drie klachtonderdelen, een hoofdklacht en twee subklachten:
Hoofdklacht: vergoeding maand opzegtermijn
De kern van het geschil betreft de vraag of de consument is gehouden de maand opzegtermijn te vergoeden. Op grond van het gesloten contract en de geldende algemene voorwaarden is de consument in het geval van het opzeggen van het contract verplicht een maand opzegtermijn te voldoen. Dit kan alleen anders zijn indien en voor zover sprake is van een dusdanige dringende en noodzakelijke situatie, dat van de consument niet mag worden verwacht het kind nog langer naar de opvang te brengen. De commissie is van oordeel dat van deze uitzonderlijke situatie sprake is.
Uit de dossierstukken blijkt dat niet is vast te stellen wat de oorzaak is geweest van de beenbreuk bij het zoontje. Partijen waren in eerste instantie in goed overleg en door de ondernemer werd in meerdere gesprekken bevestigd dat ook zij niet hebben kunnen achterhalen waarom de beenbreuk is ontstaan. Drie dagen na de geconstateerde beenbreuk hadden de ondernemer en de consument een gesprek waarin dit nogmaals is herhaald. Beide partijen hebben dit gesprek als prettig en constructief ervaren.
Aan het einde van dit gesprek kreeg de consument een ongevallenformulier mee met het verzoek deze thuis voor akkoord te tekenen. In dit formulier is opgenomen dat de ondernemer denkt dat de beenbreuk is ontstaan op het moment dat de moeder het zoontje uit de kinderstoel heeft gehaald. De ondernemer heeft ter zitting toegelicht dat zij dit zo in het formulier heeft opgeschreven, omdat zij denkt hoe het ongeval mogelijk is gebeurd en op die manier ook het veiligheids- en gezondheidsplan aan kon worden gepast. Er zijn na het incident nieuwe kinderstoelen aangeschaft. Voor de consument vormde het ongevallenformulier een kantelpunt in het proces. Niet alleen stonden in het formulier hele andere zaken opgenomen dan continu door de ondernemer werden aangegeven, maar vooral het feit dat nu naar de consument werd gewezen als oorzaak raakte de consument.
De commissie overweegt dat nu vaststaat dat de oorzaak van de beenbreuk niet kon worden vastgesteld, maar de ondernemer na enkele dagen toch de consument als mogelijke oorzaak heeft aangewezen zonder hiervoor enige onderbouwing te geven, van de consument op dat moment inderdaad niet langer had kunnen worden verwacht haar zoontje nog naar de opvang te brengen. Voor een veilige voortzetting van de opvang en goede samenwerking met de consument is het vertrouwen in elkaar immers cruciaal en door de consument zonder nadere aankondiging opeens als mogelijke oorzaak aan te wijzen, heeft de ondernemer dit vertrouwen ernstig beschadigd. Het feit dat de ondernemer heeft toegelicht nooit de schuld van het incident bij de moeder te willen neerleggen, maakt dit niet anders. De hoofdklacht is dan ook gegrond.
Subklacht a: compensatie voor ruildagen
De consument stelt dat zij gecompenseerd wil worden voor de ruildagen nu zij daar vanwege het opzeggen van het contract geen gebruik meer van heeft kunnen maken. Als onbetwist staat vast dat de mogelijkheid van ruildagen een extra service is, die door de ondernemer tijdens de duur van het contract en bij voldoende beschikbaarheid wordt aangeboden. Als de overeenkomst wordt opgezegd vervallen deze dagen en worden deze niet gecompenseerd. Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.
Subklacht b: vergoeding voor reis- en parkeerkosten
Tot slot stelt de consument dat de ondernemer de gemaakte reis- en parkeerkosten dient te vergoeden. De consument heeft deze kosten moeten maken voor de meerdere bezoeken aan het ziekenhuis in verband met de behandeling en controles van de beenbreuk van het zoontje. Het reglement Geschillencommissie Kinderopvang schrijft voor dat de commissie de consument ambtshalve in haar klacht niet-ontvankelijk dient te verklaren indien en voor zover het geschil betrekking heeft op dood, lichamelijk letsel of ziekte, tenzij dit aantoonbaar het gevolg is van het handelen of de nalatigheid van de ondernemer, in dat geval is de consument wel ontvankelijk inzake de gevolgen met uitzondering van letselschade (zie artikel 5 lid a van het reglement). Nu de reis- en parkeerkosten betrekking hebben op lichamelijk letsel, maar dit letsel niet aantoonbaar het gevolg is van het handelen of de nalatigheid van de ondernemer verklaart de commissie de consument niet-ontvankelijk in dit klachtonderdeel en komt niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht van de consument ten aanzien van het kwijtschelden van een bedrag van €879,11 gegrond;
– verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
– bepaalt dat de ondernemer een bedrag van €25,– aan de consument dient te vergoeden ter zake van het klachtengeld.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Kinderopvang, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, de heer drs. T. Blom, mevrouw E.C. Rosemünd, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. M. de Bruijn, secretaris, op 27 maart 2025.