Geen rechtsgeldige opzegging opvangcontract bij sluiting kinderopvanglocatie

Klachtenloket Kinderopvang



Commissie: kinderopvang    Categorie: -    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 1351426/1352740

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De consument diende een klacht in over de voorgenomen sluiting van een kinderopvanglocatie. De ondernemer stelde dat de locatie vanwege aanhoudende personeelstekorten niet langer kon voldoen aan de wettelijke kwaliteitseisen voor verantwoorde kinderopvang. De commissie achtte deze reden voor sluiting voldoende aannemelijk. Zij oordeelde echter dat geen sprake was van een gegronde reden voor beëindiging van de bestaande opvangovereenkomst. Omdat de personeelsproblemen al geruime tijd bekend waren en niet konden worden aangemerkt als een onvoorziene omstandigheid, heeft de ondernemer de overeenkomst niet rechtsgeldig opgezegd. De klacht werd gegrond verklaard. De overeenkomst blijft van kracht en de ondernemer dient het klachtengeld te vergoeden.

De volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft het besluit van de ondernemer om de opvanglocatie van de dochter van de consument per 1 september 2026 te sluiten.

Standpunt van de consument

Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dat op het volgende neer.

De consument heeft een overeenkomst met de ondernemer gesloten voor de opvang van zijn dochter (geboren op 14 april 2025) op de locatie [adres] (hierna te noemen: de locatie).
De ondernemer heeft besloten de locatie per 1 september 2026 te sluiten. De consument is hierover op
23 juli 2026 geïnformeerd. Tussen de aankondiging en de sluiting zit dus slechts een termijn van vijf weken.

De consument betwist de rechtmatigheid van het besluit van de ondernemer. De ondernemer stelt dat de sluiting noodzakelijk is vanwege een tekort aan gekwalificeerd personeel om de opvang op een wettelijk verantwoorde manier voort te zetten. Deze reden is echter onvoldoende concreet en feitelijk onderbouwd. De ondernemer heeft geen objectieve informatie verstrekt waaruit blijkt dat niet langer aan de wettelijke kwaliteitseisen kan worden voldaan of dat voortzetting van de opvang redelijkerwijs onmogelijk is.
Ook de oudercommissie heeft geen transparante onderbouwing van het besluit ontvangen en heeft een negatief advies uitgebracht. Daarnaast blijkt uit recente GGD-inspectierapporten dat de ondernemer zijn eigen verbeterplan voor de personele situatie niet heeft uitgevoerd, zonder dat duidelijk is waarom.

De consument heeft de indruk dat de daadwerkelijke reden voor de sluiting is dat de ondernemer van de inspectie vóór 1 september 2026 aanpassingen aan het ventilatiesysteem van het pand moet uitvoeren om aan de wettelijke normen te voldoen.

De consument vindt de gehanteerde sluitingstermijn van vijf weken onredelijk kort. De ondernemer heeft geen reële alternatieven met de consument besproken, behalve plaatsing op andere, veel verder gelegen vestigingen. Dit is voor hem geen haalbare oplossing. In de regio zijn bovendien lange wachtlijsten, waardoor het vrijwel onmogelijk is om op korte termijn vervangende kinderopvang te vinden.

De consument verzoekt de commissie te beoordelen of de ondernemer:
1) een voldoende zwaarwegende en onderbouwde reden heeft voor sluiting van de locatie;
2) zorgvuldig heeft gehandeld;
3) een redelijke sluitingstermijn heeft gehanteerd;
4) de belangen van de consument en zijn dochter voldoende heeft meegewogen;
5) voldoende transparantie heeft geboden over de besluitvorming en de onderzochte alternatieven.

Standpunt van de ondernemer

Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dat op het volgende neer.

De ondernemer begrijpt dat de consument onaangenaam verrast is door de aankondiging van de sluiting van de locatie. De ondernemer heeft er alles aan gedaan deze te voorkomen, helaas zonder succes.
De ondernemer kan echter op geen enkele manier opvang bieden die voldoet aan de vigerende wet- en regelgeving. Meer specifiek kan de ondernemer niet voldoen aan het wettelijk vereiste inhoudende stabiliteit van pedagogische professionals. Wordt de locatie niet gesloten, dan zal het gevolg zijn dat de ondernemer meerdere keren per week meerdere groepen moet afbellen. Dan is de locatie weliswaar niet gesloten, maar opvang bieden vindt dan toch niet plaats.

De ondernemer betwist dat het klimaat op de locatie de achterliggende reden is voor de sluiting. Er hangen inmiddels zeven nieuwe airco’s, de koepel is gerepareerd en er is een nieuwe ventilatiebox opgehangen. Er zijn dus geen lopende tekortkomingen ten aanzien van het ventilatiesysteem en dit weegt niet mee in de afweging om te sluiten.

De aanleiding voor de sluiting
Sinds de overname van de locatie in 2022 is sprake van personele problemen. Door een negatieve cultuur en werksfeer is er een groot verloop en een extreem hoog ziekteverzuim.
Door alle personele problemen kon de ondernemer in de achterliggende maanden steeds minder voldoen aan de wettelijke vereisten rondom stabiele bezetting van pedagogische professionals. Voor een bezetting van elf pedagogische professionals zijn slechts vijf medewerkers beschikbaar. Voor de noodzakelijke vervanging is alles op alles gezet. Naast de normale wervingsacties die uitgezet worden als er een vacature is, heeft de ondernemer diverse aanvullende acties ondernomen om de vacatures in te vullen Alles helaas zonder het beoogde effect. Dit zal ook te maken hebben met het feit dat het qua cultuur een moeilijke locatie is. Ondanks inspanningen van de ondernemer lijkt het onmogelijk de cultuur om te buigen naar een positieve werkomgeving.

De ondernemer heeft inmiddels de eerste boete van de GGD binnen. De GGD heeft geconstateerd dat de tekortkomingen niet incidenteel maar structureel zijn. De ondernemer moet het belang van de aan zijn zorg toevertrouwde kinderen waarborgen. Als de ondernemer dat niet (meer) kan, dan zal hij altijd kiezen voor het belang van het kind en dat is in dit geval dus sluiting.

De ondernemer benadrukt dat de noodzaak tot sluiting niet financieel is. Hij ziet zich op wettelijke gronden genoodzaakt om te sluiten.

Oplossingen
Allereerst heeft de ondernemer toegezegd aan de consument (en de andere ouders) een alternatieve opvangplek te zoeken. Deze is niet in Breukelen, maar op een andere locatie met een redelijke reistijd. Daarnaast is de ondernemer vergaand in gesprek met één andere kinderopvangorganisatie die belangstelling heeft om de locatie over te nemen. Mocht de overname doorgaan, dan zal de ondernemer werken aan mogelijke oplossingen om de opvang vanaf 1 september 2026 doorgang te laten vinden.

De ondernemer verzoekt de commissie de klacht van de consument niet in behandeling te nemen, althans ongegrond te verklaren.

Beoordeling van het geschil

Opmerking vooraf
De commissie stelt voorop dat – zoals ter zitting reeds aangegeven – in deze procedure slechts de individuele klacht van de consument aan de orde is. De door andere ouders ingediende klachten vormen geen onderwerp van de onderhavige procedure.

Verkorte procedure
De consument heeft op 31 juli 2026 een klacht tegen de ondernemer ingediend vanwege het besluit om de locatie per 1 september 2026 te sluiten. Hij heeft daarbij verzocht om een ‘spoedprocedure’.
In artikel 24 van het reglement van de commissie zijn de voorwaarden voor een verkorte procedure genoemd.

Het secretariaat van de commissie heeft de consument in de intakefase als volgt bericht:
“De verkorte procedure is bedoeld voor de toetsing van een definitief genomen besluit. Zolang onzeker is of de opvang daadwerkelijk sluit en de kinderen vanaf 1 september zonder opvang komen te zitten, kan de commissie de mogelijke sluiting niet via deze procedure beoordelen”.
De consument heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Daarop heeft het secretariaat van de commissie haar besluit heroverwogen en het volgende aan de consument bericht:
“Hoewel de opvang nog niet definitief heeft besloten om tot sluiting over te gaan en momenteel met een andere partij in gesprek is over een mogelijke overname, hebben wij vanwege de bijzondere situatie besloten om één zaak volgens de verkorte procedure aan de commissie voor te leggen. Daarbij hebben wij rekening gehouden met de aanhoudende onzekerheid voor de betrokken ouders en het spoedeisende karakter van de situatie. Omdat u als eerste een geschil aanhangig heeft gemaakt, wordt uw zaak volgens de verkorte procedure behandeld”.

De commissie stelt vast dat de ondernemer de consument op 23 juli 2026 heeft geïnformeerd als volgt:
“We hebben besloten om per 1 september 2026 de deuren van ons kinderdagverblijf [naam locatie} te sluiten.(…)

Waarom nemen we dit besluit?
Dit is geen besluit dat we lichtvaardig hebben genomen. Bij iedere afweging die we maken, staan het belang van kinderen en ouders voorop. Vanuit die verantwoordelijkheid hebben we de afgelopen jaren verschillende mogelijkheden onderzocht om de opvang voort te zetten.

Ondanks deze inspanningen blijkt het steeds moeilijker om op deze locatie een stabiele personele bezetting te behouden. Hierdoor zijn we steeds vaker genoodzaakt om groepen tijdelijk te sluiten of opvang aan te passen om te kunnen blijven voldoen aan de kwaliteitseisen die aan kinderopvang worden gesteld.
Voor kinderen is een vertrouwde en stabiele opvangomgeving met vaste gezichten en voldoende gekwalificeerde medewerkers belangrijk voor hun emotionele veiligheid en ontwikkeling.
We vinden het daarom niet verantwoord om de opvang op deze manier voort te zetten, omdat we daarmee de stabiliteit en continuïteit voor kinderen onvoldoende kunnen blijven waarborgen.

Vanuit die verantwoordelijkheid hebben we de moeilijke keuze gemaakt om de locatie te sluiten en duidelijkheid te bieden aan kinderen, ouders en collega’s.”

De commissie leest dit – anders dan haar secretariaat – als een definitief besluit tot sluiting van de locatie per 1 september 2026. Daarover kan zij in een verkorte procedure oordelen. De ondernemer heeft in het besluit immers geen voorbehoud gemaakt in verband met een mogelijke overname van de locatie door een andere kinderopvangorganisatie. Dat de ondernemer dit in latere communicatie met de consument wel heeft gedaan, doet er niet aan af dat de consument het besluit van 23 juli 2026 aan de commissie heeft kunnen voorleggen met het verzoek het geschil in een verkorte procedure te behandelen.

De commissie heeft evenwel geconstateerd dat de consument het geschil op 31 juli 2026, dus buiten de in artikel 26 lid 1 van het reglement genoemde termijn (één dag te laat), bij de commissie heeft ingediend.
Gelet op het verloop van de intakefase in dit geding acht de commissie het niet passend de consument alsnog, gelet op deze geringe termijnoverschrijding, niet ontvankelijk te verklaren in zijn klacht, daargelaten nog dat de ondernemer geen verweer heeft gevoerd tegen deze termijnoverschrijding. De commissie neemt voorts in aanmerking dat de ondernemer de sluiting heeft aangekondigd per 1 september 2026, zodat de consument een spoedeisend belang heeft bij een uitspraak van de commissie vóór die datum.
De commissie zal het geschil daarom inhoudelijk behandelen.

De aangekondigde sluiting
De consument verzoekt de commissie te beoordelen of de ondernemer een voldoende zwaarwegende en onderbouwde reden heeft voor sluiting van de locatie.
De consument heeft de indruk dat de vóór 1 september 2026 vereiste aanpassingen aan het ventilatiesysteem van het pand de daadwerkelijke reden voor de sluiting van de locatie is. De ondernemer heeft daartegen onweersproken aangevoerd dat de aanpassingen inmiddels hebben plaatsgevonden en dat er thans geen tekortkomingen ten aanzien van het ventilatiesysteem meer zijn, zodat dit nergens heeft meegewogen in de afweging om de locatie te sluiten.
De commissie is van oordeel dat de ondernemer voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de reden voor de voorgenomen sluiting een bedrijfsorganisatorische is en gelegen is in het personeelstekort, waardoor de ondernemer niet meer kan voldoen aan de wettelijke kwaliteitseisen en maatstaven die gelden voor het bieden van verantwoorde kinderopvang. De commissie acht dit op zich een te rechtvaardigen reden voor sluiting.

Zorgvuldigheid van het besluit tot sluiting en de gevolgen van de sluiting voor de consument
Vast staat dat de consument en de ondernemer met elkaar een ‘Plaatsingsovereenkomst Kinderdagverblijf’ hebben gesloten, waarbij de ondernemer zich heeft verplicht om de dochter van de consument vanaf
5 maart 2026 tot 28 februari 2027 op de locatie op te vangen op donderdag en vrijdag en vanaf 1 maart 2027 tot 13 juli 2029 alleen op vrijdag.
De ondernemer heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat zij de overeenkomst van de consument, in afwachting van de eventuele overname door een andere kinderopvangorganisatie, niet heeft opgezegd, zodat deze organisatie het lopende contract met de consument kan overnemen.
Echter, de commissie stelt vast dat – in het geval dat de overname niet doorgaat – de sluiting tot gevolg zal hebben dat de ondernemer de overeengekomen opvang niet langer aan de consument kan leveren.
Weliswaar heeft er geen formele opzegging van de tussen partijen gesloten overeenkomst plaatsgevonden, maar de sluiting van de locatie leidt tot een feitelijke opzegging van die overeenkomst.

In de Algemene voorwaarden voor Kinderopvang, Dagopvang en Buitenschoolse opvang (hierna te noemen: de Algemene Voorwaarden) is in artikel 6 lid 3 sub b bepaald dat de ondernemer slechts bevoegd is de overeenkomst op te zeggen op grond van een gegronde reden en dat als gegronde reden in ieder geval worden aangemerkt:

i. De situatie dat de Ouder in verzuim is ten aanzien van zijn betalingsverplichting voor twee (of meer) maanden Kinderopvang;
ii. Situaties als genoemd in artikel 10 lid 2 sub a en b(ii) die twee maanden (of langer) voortduren;
iii. De situatie genoemd in artikel 10 lid 2 sub b(i);
iv. De situatie waarbij de (vertrouwens)relatie tussen Ondernemer en Ouder verstoord is waardoor voortzetting van de Overeenkomst in ongewijzigde vorm niet van de Ondernemer gevergd kan worden;
v. De omstandigheid dat de Ondernemer vanwege een onvoorziene omstandigheid of een niet aan hem toerekenbare oorzaak niet meer in staat is de Overeenkomst uit te voeren;
vi. Een bedrijfseconomische noodzaak die de continuïteit (van een Kindercentrum) in gevaar brengt.

Duidelijk is dat de sub i. tot en met iv. genoemde situaties in het geval van de consument niet aan de orde zijn. De commissie is voorts van oordeel dat geen sprake is van de omstandigheid als genoemd onder v.. Immers, vast is komen te staan dat de ondernemer al sinds de overname van de locatie in 2022 kampt met personeelsproblemen op deze locatie en dat thans al enige maanden sprake is van vijf (langdurig) arbeidsongeschikte medewerkers. Vast staat voorts dat de overeenkomst met de consument pas is ingegaan op 5 maart 2026 (de eerste opvangdag). Op dat moment was het personeelstekort dus bekend en derhalve niet onvoorzienbaar. Het personeelstekort ligt voorts in de risicosfeer van de ondernemer.
De ondernemer heeft voorts uitdrukkelijk gesteld dat er geen financiële redenen zijn om de locatie te sluiten, zodat er ook geen sprake is van een bedrijfseconomische noodzaak als bedoeld in sub vi..

Op grond van het bovenstaande is de commissie van oordeel dat er geen sprake is van een gegronde reden om de overeenkomst per 1 september 2026 (feitelijk) op te zeggen en dat de ondernemer dus niet zorgvuldig heeft gehandeld. Dat betekent dat de overeenkomst tussen de ondernemer en de consument van kracht blijft.

Gelet hierop zal de commissie de verzoeken sub 3) tot en met 5) van de consument onbesproken laten, omdat de consument daarbij geen belang meer heeft,

Conclusie
Uit het voorgaande volgt dat de commissie de klacht van de consument gegrond zal verklaren. Hierin ziet de commissie aanleiding te bepalen, dat het door de consument betaalde klachtengeld door de ondernemer aan hem dient te worden vergoed.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:

– verklaart de klacht van de consument gegrond;
– bepaalt dat geen sprake is van een zorgvuldige (rechtsgeldige) opzegging van de overeenkomst per 1 september 2026 en dat de overeenkomst tussen de consument en de ondernemer ook na 1 september 2026 van kracht blijft;
– bepaalt dat de ondernemer een bedrag van € 25,- aan de consument dient te vergoeden ter zake van het klachtengeld.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Kinderopvang, bestaande uit mevrouw mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, de heer mr. A.J. Quant en mevrouw J.M.A. van Haren, leden, in aanwezigheid van mevrouw
mr. drs. I.M. van Trier, secretaris, op 18 augustus 2026.