Melding kindermishandeling bij instanties is niet gerechtvaardigd, ondernemer moet schriftelijk rectificeren.

Onderwerp van het geschil

Nadat de ouder de opvang van het kind beëindigde, deed de ondernemer anoniem melding van een vermoeden van kindermishandeling. Er was echter geen dossier waaruit een gerechtvaardigd vermoeden bleek. Van een professionele organisatie mag juist wel verwacht worden dat een dergelijke melding, zelfs bij een marginale toetsing, voldoende basis heeft. Ook liet de ondernemer nooit eerder aan de consument weten dat er zorgen waren over het kind. De commissie vindt de klacht van de ouder gegrond, de melding was niet terecht. De ondernemer moet schriftelijk excuses aanbieden voor haar aanpak. Met een verklaring kan de consument zelf instanties benaderen om de melding te rectificeren.

De consument beklaagt zich erover dat (1) onterecht melding is gedaan van kindermishandeling en (2) dat daarbij niet is gehandeld volgens de Meldcode Kindermishandeling.

Standpunt van de consument

Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. De door de consument overgelegde stukken dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. In de kern komt het standpunt van de consument op het volgende neer.

De dochter van de consument bezocht van medio januari tot en met eind maart 2017 de peuterspeelzaal van de ondernemer. Op 28 maart 2017 heeft de consument laten weten het contract te beëindigen en vanaf 5 april 2017 is haar dochter naar een andere peuterspeelzaal gegaan. De communicatie omtrent de opzegging en de overdracht naar de opvolgende peuterspeelzaal verliep moeizaam, waarbij de consument op 10 april 2017 aangaf geen prijs te stellen op verdere bemoeienis van de ondernemer. Op 11 april 2017 heeft de ondernemer melding gedaan bij Veilig Thuis van kindermishandeling in de vorm van pedagogische verwaarlozing. De consument is van mening dat de melding op onjuiste gronden is gedaan, namelijk vanwege rancune. Uit een onderzoek door Veilig Thuis is gebleken dat van kindermishandeling geen sprake was, maar de consument is door de beschuldiging wel beschadigd. Tevens is volgens de consument het stappenplan van de Meldcode Kindermishandeling op geen enkel punt gevolgd. Zij heeft niet eerder te horen gekregen dat er bij de ondernemer (kennelijk) zorgen bestonden met betrekking tot het welzijn van haar dochter. Bovendien is de melding anoniem gedaan, terwijl dat niet mogelijk is als deze door een professionele organisatie wordt gedaan. Voorts is de melding niet vooraf met de consument besproken en werd ook naderhand niet meer met haar gecommuniceerd.

De consument wenst een schriftelijke rectificatie en excuses van de ondernemer. Voorts acht zij een schadevergoeding naar redelijkheid en billijkheid op zijn plaats.

Ter zitting heeft de consument haar klacht toegelicht en daarbij – in hoofdzaak – het volgende aangevoerd.

Om diverse redenen, waaronder ontevredenheid over de locatie en de gewijzigde opvangtijden, heeft de consument besloten haar dochter naar een andere peuterspeelzaal te brengen. Hierover is discussie ontstaan, omdat de ondernemer niet achter deze beslissing stond. De onderlinge verhouding was dusdanig verstoord geraakt dat de consument geen behoefte meer had aan het voeren van gesprekken en het meewerken aan een zogenaamde ‘warme’ overdracht. De ondernemer liet haar vervolgens weten melding van kindermishandeling te zullen doen bij Veilig Thuis. Achteraf bleek dat de ondernemer reeds anoniem melding had gedaan. De consument kan niet anders dan concluderen dat rancune de grondslag is geweest voor de melding. Immers, niet alleen is gedurende de periode waarin haar dochter de ondernemer bezocht niet met haar gesproken over de ernstige zorgen die kennelijk bij de ondernemer bestonden, maar ook wees het onderzoek dat naar aanleiding van de melding is uitgevoerd door Veilig Thuis, uit dat geen sprake was van kindermishandeling in de vorm van pedagogische verwaarlozing.

De consument verlangt van de commissie een oordeel over de melding die is gedaan. Voorts vordert zij toekenning van een schadevergoeding naar redelijkheid en billijkheid, in ieder geval bestaande uit de kosten die in rekening zijn gebracht voor de maand april 2017, aangezien zij in die maand geen opvang bij de ondernemer heeft genoten. Ten slotte geeft de consument aan zich ernstig zorgen te maken over het feit dat de melding landelijk is geregistreerd en zij wenst hiervan dan ook een rectificatie. 

Standpunt van de ondernemer

Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt van de ondernemer op het volgende neer.

De ondernemer is van mening dat zij voldoende reden had om over te gaan tot het doen van de melding van kindermishandeling. Zij heeft op voorhand overleg gevoerd met Veilig Thuis en het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG), waarbij zij het advies kreeg de melding te doen. Uit het nauwkeurig bijgehouden dossier betreffende de dochter van de consument blijkt dat de consument veelvuldig is aangesproken op het te laat brengen van haar dochter. Het advies om haar dochter ’s avonds eerder naar bed te brengen werd echter niet opgevolgd.

Ten aanzien van het stappenplan van de Meldcode Kindermishandeling stelt de ondernemer zich op het standpunt deze te hebben gevolgd. Alle incidenten en voorvallen zijn in het dossier genoteerd, waarmee de signalen in kaart zijn gebracht. Getracht is een en ander met de consument te bespreken, maar de consument weigerde hieraan mee te werken. De pedagogisch medewerkers hebben de voortgang in de ontwikkeling van de dochter van de consument echter wel met haar besproken. Ontevredenheid over de locatie en de gewijzigde opvangtijden rechtvaardigen volgens de ondernemer niet de plotselinge opzegging van de overeenkomst en de weigering om medewerking te verlenen aan een soepele overgang van de ene peuterspeelzaal naar de andere.

De ondernemer acht de klacht van de consument onvoldoende onderbouwd en is van mening dat de consument geen financiële schade heeft geleden. Zij verzoekt de commissie de klacht ongegrond te verklaren en het verzoek tot schadevergoeding af te wijzen.

Ter zitting heeft de ondernemer haar standpunt verder toegelicht, waarbij zij benadrukt dat volgens haar het stappenplan van de Meldcode Kindermishandeling is gevolgd, alsmede dat de zorgen om het kind de aanleiding vormden om de melding te doen. Na de weekenden zagen de pedagogisch medewerkers een verslechtering in sociale vaardigheden bij de dochter en moesten haar de basisregels opnieuw worden bijgebracht. De laatste maand namen de zorgen toe omdat de consument geen contact meer wilde. Het communicatieprobleem vormde de rode draad in het contact met de consument, met verstrekkende gevolgen. De zinsnede in het rapport van Veilig Thuis dat er “op dit moment geen aanleiding is om aan te nemen dat sprake is van kindermishandeling in de vorm van pedagogische verwaarlozing” sterkt de ondernemer in de gedachte dat de melding niet onterecht is gedaan. 

Beoordeling van het geschil

Naar aanleiding het door partijen over en weer gestelde overweegt de commissie het volgende.

De commissie is van oordeel dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting geen concrete feiten of omstandigheden naar voren zijn gekomen die de melding van kindermishandeling rechtvaardigen. Van een professionele organisatie mag juist wel verwacht worden dat een dergelijke melding, zelfs bij een marginale toetsing, voldoende basis heeft. Dat hiervan in het onderhavige geval geen sprake is, getuigt niet van een professionele pedagogische aanpak.

Bovendien, zo er al sprake was van een situatie waarin de zorgen omtrent het kind gerechtvaardigd waren, is het proces erna onzorgvuldig verlopen. De commissie heeft immers geen kennis kunnen nemen van dossiervorming waaruit een gerechtvaardigd vermoeden van kindermishandeling zou moeten blijken, terwijl voorts niet is gebleken van enige zorgvuldige communicatie hierover in de richting van de consument. Immers, gedurende de periode dat haar dochter de peuterspeelzaal bezocht, was de consument er niet van op de hoogte dat bij de ondernemer kennelijk ernstige zorgen omtrent het welzijn van haar dochter bestonden. Pas nadat de consument het contract had beëindigd, vernam zij dat de ondernemer tijdens de opzegtermijn een melding van kindermishandeling had gedaan bij Veilig Thuis, welke melding in eerste instantie zelfs anoniem werd gedaan. De consument stelt terecht dat een professionele organisatie een vermoeden van kindermishandeling in beginsel niet anoniem mag melden.

De commissie is van oordeel dat de onzorgvuldigheid in het handelen van de ondernemer gedurende het gehele proces ertoe leidt dat de klacht van de consument gegrond is.

Nu de consument van de gedane melding ernstig nadeel ondervindt, en mogelijk in de toekomst nog zal ondervinden, is de commissie van oordeel dat een rectificatie naar derden dient plaats te vinden. Hiertoe dient de ondernemer binnen twee weken nadat zij deze uitspraak heeft ontvangen, een schriftelijke verklaring op te stellen en toe te zenden aan de consument, waarin zij haar excuses maakt voor haar aanpak. Met deze verklaring wordt de consument in staat gesteld zelf instanties te benaderen om de melding te rectificeren.

De commissie bepaalt dat in deze schriftelijke verklaring de navolgende tekst dient te worden opgenomen:

“Op 11 december 2017 heeft de Geschillencommissie Kinderopvang en Peuterspeelzalen uitspraak gedaan, waarbij is gebleken dat [naam van de consument], wonende te [woonplaats], op onbehoorlijke wijze in haar privacy is aangetast.

Er zijn onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd om de gedane melding van kindermishandeling te rechtvaardigen. Waar mogelijk dient tot verwijdering van deze geschiedenis te worden overgegaan.”

Ten slotte is de commissie van oordeel dat de door de consument geleden schade, bestaande uit de opvangkosten die de consument heeft gemaakt in de maand april 2017, zijnde de maand waarin zij geen opvang bij de ondernemer heeft genoten, door de ondernemer dient te worden vergoed. De consument dient de factuur van deze maand aan de ondernemer te overhandigen, waarna de ondernemer het bedrag binnen één week aan de consument dient over te maken.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:

verklaart de klacht gegrond;

bepaalt dat de ondernemer binnen twee weken na ontvangst van deze uitspraak een schriftelijke verklaring, met de hierboven weergegeven inhoud, opstelt en deze toezendt aan de consument, waarmee de consument in staat wordt gesteld de (ongegronde) melding van kindermishandeling waar mogelijk te rectificeren;

bepaalt dat de ondernemer de opvangkosten van de maand april 2017 aan de consument dient terug te betalen;

wijst het meer of anders gevorderde af;

bepaalt dat de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van

€ 25,-- dient te vergoeden aan de consument ter zake van het klachtengeld.

Aldus beslist op 11 december 2017 door de Geschillencommissie Kinderopvang en Peuterspeelzalen.

Commissie: Kinderopvang

Referentienummer: 2018-113334

Uitspraken disclaimer

Let op: De uitspraken in ons uitsprakenregister zijn voorbeelden en wij willen u hiermee een algemeen beeld geven van de beslissingen van de commissie. U kunt geen rechten ontlenen aan ons uitsprakenoverzicht. Elke klacht wordt door de commissie afzonderlijk beoordeeld op basis van de specifieke feiten en omstandigheden.
Niet gevonden wat u zocht?
Wilt u meer informatie over onze uitspraken, dan helpen wij u graag. U kunt hiervoor contact met ons opnemen via dit formulier.

Was deze informatie duidelijk?

  • LANDELIJK LOKET KLACHTEN EN GESCHILLEN VOOR KINDEROPVANG EN PEUTERSPEELZALEN

  • Disclaimer
  • Privacy
Terug naar boven