Onjuiste beëindiging kinderopvang na einde arbeidscontract

Klachtenloket Kinderopvang



Commissie: kinderopvang    Categorie: (on)zorgvuldig handelen    Jaartal: -
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 1214115/1314873

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Deze uitspraak gaat over een moeder van twee jonge kinderen van wie de kinderopvang de opvangovereenkomsten heeft opgezegd nadat haar eigen arbeidscontract bij diezelfde organisatie niet werd verlengd. De moeder vindt dat de kinderopvang haar rol als werknemer en als ouder door elkaar heeft gehaald en zonder goede reden en zonder waarschuwing de opvang heeft stopgezet. De kinderopvang stelde dat er sprake was van ongewenst gedrag bij het brengen en halen van de kinderen en dat goede communicatie niet meer mogelijk was. De commissie oordeelt dat de kinderopvang onvoldoende heeft onderbouwd dat er sprake was van een zwaarwegende reden voor opzegging, dat de moeder niet is gehoord, geen waarschuwing heeft gekregen en dat ook de minimale opzegtermijn niet is gevolgd. Daarom is de opzegging van de opvangovereenkomsten onzorgvuldig en onterecht geweest en is dit deel van de klacht gegrond. De klacht dat de opvang tekort zou zijn geschoten in de dagelijkse zorg voor de kinderen is onvoldoende onderbouwd en daarom ongegrond. De commissie kent de moeder een gedeeltelijke schadevergoeding toe van € 995,50 voor hogere kosten in een overgangsperiode van zes maanden en bepaalt dat het klachtengeld van € 25 wordt terugbetaald. Andere schadeclaims worden afgewezen.

De volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de opzegging van de opvangovereenkomst voor de twee dochters van de consument door de ondernemer. De consument was werkzaam binnen de opvangorganisatie van de ondernemer. Haar arbeidscontract werd niet verlengd en de opvangovereenkomst voor haar kinderen werd op oneigenlijke gronden beëindigd. De consument verwijt de ondernemer dat zij de arbeidsovereenkomst heeft vermengd met de opvangovereenkomst.

Standpunt van de consument

De oudste dochter van de consument, [naam oudste dochter], werd opgevangen op de opvanglocatie van de ondernemer. Op 7 mei 2024 is de consument als BSO leidster op basis van een tijdelijk contract van zeven maanden bij de ondernemer in dienst getreden. Tijdens haar zwangerschap is haar contract (stilzwijgend) met een termijn van zeven maanden verlengd. Drie weken voor haar zwangerschapsverlof is de consument vanwege ziekte uitgevallen. Op 9 oktober 2024 is dochter [naam jongste dochter] geboren, kort waarna de consument een hersenvliesontsteking heeft opgelopen die heeft geleid tot een ziekenhuisopname met een lange nasleep. Vanaf 1 januari 2025 werd [naam jongste dochter] eveneens opgevangen op de kinderopvanglocatie van de ondernemer. Tijdens haar ziekteperiode bracht en haalde de consument haar kinderen met regelmaat. Op die momenten werden vaak werk gerelateerde vragen aan de consument gesteld. Ook werden problemen met het UWV op die momenten besproken. De consument vond dit erg belastend en onplezierig en omdat de gesprekken ook niet bevorderlijk waren voor haar gezondheid heeft de bedrijfsarts de ondernemer verzocht om werk gerelateerde onderwerpen niet meer bij het brengen en halen van de kinderen te bespreken.
In de week van 26 mei 2025 werd de consument benaderd door haar bewindvoerder die haar vertelde dat de ondernemer de opvangovereenkomsten wilde beëindigen vanwege het verzoek van de bedrijfsarts om niet met de consument in gesprek te mogen gaan. Dit betrof echter slechts de communicatie over de arbeidsrelatie.

Op 4 juni 2025 ontving de consument een brief van de ondernemer waarin allerlei aannames werden gedaan en waarin zowel de consument als haar partner werden beschuldigd van het veroorzaken van een onveilige situatie op de opvanglocatie, van het respectloos tegemoet treden van medewerkers en het spreken met stemverheffing. Om die reden werd de consument de toegang tot het pand geweigerd en moest zij, na aanbellen, de kinderen bij de deur afgeven en daar ook weer ophalen. [Naam], de manager die de brief had gestuurd, was op 4 juni 2025 met vakantie en niet op de locatie aanwezig. Toen de consument de volgende dag aanbelde om de kinderen aan de leidsters te overhandigen waren zij hoogst verbaasd dat de consument niet naar binnen kwam; zij waren kennelijk niet van het toegangsverbod op de hoogte gebracht. De consument begrijpt niet dat, indien sprake zou zijn van een onveilige situatie de medewerkers niet in deze maatregel gekend waren.

Per brief van 15 mei 2025 werd de consument te kennen gegeven dat de arbeidsovereenkomst na
30 juni 2025 niet zou worden verlengd. Op 19 juni 2025 ontving zij een brief waarin was opgenomen dat de opvangovereenkomsten per 1 juli 2025 werden beëindigd. In de brief was opgenomen: “Ik ben van mening dat wij uw kinderen niet kunnen bieden wat zij nodig hebben, doordat de relatie tussen u en het bedrijf is verslechterd, door het ontstane conflict.”
De consument kan zich dan ook niet aan de indruk onttrekken dat de ondernemer het beëindigen van de arbeidsrelatie heeft aangegrepen om geheel ten onrechte de opvangovereenkomsten voor haar kinderen op te zeggen. Ook de kwaliteit van de opvang nam af; de kinderen kregen niet meer de aandacht die zij nodig hadden, medische verzoeken werden genegeerd en hygiënevoorschriften veronachtzaamd. De kinderen van de consument zijn hier de dupe van geworden.

De consument is door toedoen van de ondernemer genoodzaakt geweest halsoverkop een andere opvangorganisatie voor haar kinderen te zoeken. Aanvankelijk heeft zij een verkorte procedure bij de commissie aanhangig gemaakt, maar omdat het haar uiteindelijk net op tijd gelukt is een passende andere opvangorganisatie te vinden heeft zij de verkorte procedure gewijzigd in een ‘gewone’ procedure.
Dit neemt niet weg dat de consument een oordeel verlangt van de commissie over de handelwijze van de ondernemer. Zonder gesprek, zonder waarschuwing en zonder het toepassen van het beginsel van hoor- en wederhoor zijn de opvangovereenkomsten voor haar kinderen om oneigenlijke redenen beëindigd.

De consument heeft door toedoen van de ondernemer schade geleden die zij vergoed wenst te zien.
Die schadeposten zijn:
– hogere kosten kinderopvang: € 392,- per jaar;
– hogere eigen bijdrage kinderopvangtoeslag: € 1.083,- per jaar;
– hogere vervoerskosten: €1.970,- per jaar (Nibud-norm);
– hogere benzinekosten € 516,- per jaar;
– noodgedwongen extra uren opvang: € 1.056,- per jaar;
– inschrijf- en administratiekosten nieuwe opvang: €100,- eenmalig;
– verletkosten: ca. €1.000,- (40 uur ×€ 25,- voor rondleidingen, administratieve handelingen en correspondentie);
– immateriële schadevergoeding: € 1.500,- (gebaseerd op jurisprudentie en duur/ernst van de situatie).

Voorts verlangt de consument een schriftelijke rectificatie en excuses van de ondernemer en signalering richting toezichthouders (GGD, Inspectie Kinderopvang) ter voorkoming van herhaling.

Standpunt van de ondernemer

Op 4 juni 2025 hebben de consument en haar partner bij het brengen van de kinderen ongewenst gedrag vertoond richting één van de pedagogisch medewerkers. Met stemverheffing heeft de consument haar ongenoegen over de opvang uitgesproken. De consument was erg boos en gaf te kennen dat haar kinderen werden achtergesteld omdat haar arbeidscontract was geëindigd.
De medewerker heeft contact opgenomen met haar leidinggevende die besloot tot een toegangsverbod voor de consument. Vanaf haar vakantieadres heeft de ondernemer telefonisch contact opgenomen met de partner van de consument om opheldering te vragen maar dit zorgde niet voor verduidelijking. De consument en haar partner waren, tot ongenoegen van de ondernemer, al vaker buiten haal- en brengtijden met de toegangscode naar binnen gekomen en besloten werd de code uit te zetten zodat zij in het vervolg moesten aanbellen.

Wat verder speelde was dat de consument vanaf mei 2024 bij de ondernemer in dienst was als pedagogisch medewerker. Door ziekte was zij uitgevallen en vervolgens met zwangerschapsverlof gegaan. Op 15 mei 2025 heeft de ondernemer de consument schriftelijk te kennen gegeven dat het arbeidscontract voor bepaalde tijd per 1 juli 2025 niet zou worden verlengd. Via haar bedrijfsarts had de consument de ondernemer om ‘radiostilte’ gevraagd. De radiostilte zorgde bij het brengen en halen voor onduidelijke en moeilijke situaties voor de pedagogisch medewerkers. Zij wisten niet goed wat zij, als oud collega’s, wel en niet mochten vragen of zeggen en dit leidde tot een onwerkbare situatie. Op 25 mei 2025 is in het team besproken dat het beter was om de opvang te stoppen omdat goede communicatie met de ouders niet meer mogelijk was. Dat de ouders aangaven ontevreden te zijn over de kwaliteit van de opvang heeft daarbij meegespeeld. De ondernemer heeft dan ook aan de bewindvoerder van de consument doorgegeven dat zij de opvang per 1 juli 2025 wilde stoppen. Op 4 juni 2025 heeft de ondernemer de consument een brief gestuurd waarin was opgenomen dat de ouders de toegang tot de locatie werd ontzegd. Op 19 juni 2025 is de opzegging van de opvangovereenkomsten schriftelijk kenbaar gemaakt. De laatste opvangdag was op 30 juni 2025.

De ondernemer betreurt het dat de consument zich niet gehoord heeft gevoeld en het partijen niet gelukt is om gezamenlijk tot een oplossing te komen.

Beoordeling van het geschil

De kern van het geschil betreft de vraag of de ondernemer gerechtigd was de overeenkomsten met de consument tot opvang van haar dochters met ingang van 1 juli 2025 eenzijdig te beëindigen.

De commissie heeft het volgende overwogen.

De consument heeft met de ondernemer plaatsingsovereenkomsten voor haar dochters gesloten op grond waarvan dochter [naam oudste dochter] (geboren op [datum] 2022) vier dagen per week door de ondernemer werd opgevangen en dochter [naam jongste dochter] (geboren op [datum] 2024) met ingang van 1 januari 2025 voor drie dagen per week. Op de gesloten overeenkomsten zijn de algemene voorwaarden van de ondernemer van toepassing. Deze voorwaarden zijn door de consument aan het dossier toegevoegd en betreffen onbetwist de Algemene voorwaarden voor Kinderopvang Dagopvang en Buitenschoolse opvang van 2017 van de Brancheorganisatie Kinderopvang (hierna: de Algemene Voorwaarden).

Op grond van artikel 10 lid 3 van de Algemene Voorwaarden is de ondernemer slechts bevoegd een opvangovereenkomst op te zeggen op grond van een zwaarwegende reden. Als zwaarwegende reden wordt in artikel 11 lid 2 sub b van die Algemene Voorwaarden onder meer de situatie aangemerkt dat het kind en/of de ouder een risico of bedreiging vormt voor de geestelijke en/of lichamelijke gezondheid of veiligheid van anderen, na te zijn gewaarschuwd, tenzij een waarschuwing redelijkerwijs niet van de ondernemer mag worden verwacht.
De ondernemer stelt zich op het standpunt dat ongewenst gedrag van de consument als ouder haar heeft genoodzaakt om de plaatsingsovereenkomsten te ontbinden, zo begrijpt de commissie.
Dat vermeende ongewenste gedrag heeft de ondernemer echter op geen enkele wijze toegelicht of nader onderbouwd.

Ter zitting heeft de ondernemer toegelicht dat zij, na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van de consument (als leidster van de BSO), van de bedrijfsarts begrepen had dat zij geen contact met de consument mocht opnemen. Om die reden is zij niet meer in gesprek gegaan met de consument. De consument heeft daarover verklaard dat zij langere tijd ziek is geweest alvorens de arbeidsovereenkomst werd beëindigd en haar door de bedrijfsarts was geadviseerd om met de ondernemer, als haar werkgever, niet over de arbeidsrelatie te communiceren. Dit betrof echter niet haar rol als ouder van haar dochters.
Wat hier ook van zij, voor de commissie is vast komen te staan dat de ondernemer niet met de consument (als ouder) heeft gesproken over situaties of gedragingen die zich op de opvanglocatie zouden hebben voorgedaan en die door een medewerker als onveilig zouden zijn ervaren en die situaties of gedragingen evenmin schriftelijk aan haar heeft voorgelegd. De consument is dan ook niet de gelegenheid geboden om haar zienswijze te geven op hetgeen zich op de opvanglocatie zou hebben voorgedaan.

Evenmin is sprake geweest van een schriftelijke waarschuwing vooraf, waarin de eventuele opzegging werd aangekondigd, indien geen verbetering zou optreden van het vermeende ongewenste gedrag. Daarbij heeft de ondernemer de minimale opzegtermijn van één maand (zie artikel 10 lid 4 sub b van de Algemene Voorwaarden) niet in acht genomen. De brief van de ondernemer waarin de opvangcontracten per 1 juli 2025 werden beëindigd is gedateerd op 19 juni 2025.
De commissie is dan ook van oordeel dat de ondernemer de opvangovereenkomsten ten onrechte en op onjuiste wijze en op onjuiste gronden heeft beëindigd. Omdat de consument inmiddels andere opvang voor haar dochters heeft gevonden en zij geen hervatting van de opvangovereenkomsten verlangt, stelt de commissie vast dat die overeenkomsten tussen partijen zijn geëindigd.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de wijze waarop de ondernemer de opvangovereenkomsten heeft opgezegd onzorgvuldig is geweest. De commissie verklaart de klacht van de consument wat dit betreft dan ook gegrond.

Schending zorgplicht
De consument verwijt de ondernemer voorts dat zij gedurende de duur van de opvangovereenkomsten is tekort geschoten in haar zorgplicht ten opzichte van de dochters. Zo zouden medische adviezen ten aanzien van koelzalf op eczeem en het gebruik van specifieke luiers zijn genegeerd en hygiëne voorschriften zijn verwaarloosd, waardoor bij de kinderen sprake was van opgedroogd snot en vieze gezichtjes. Daarbij waren zij vaak huilerig en onrustig hetgeen bij de nieuwe opvanglocatie verbeterd is, aldus de consument.
Wat dit betreft heeft de consument haar klacht onvoldoende onderbouwd of toegelicht en ook anderszins is de commissie niet van een schending van de zorgplicht ten opzichte van de kinderen van de consument gebleken, zodat dit klachtonderdeel ongegrond wordt verklaard.

Schadevergoeding
De consument heeft een vergoeding van de ondernemer gevraagd voor de schade die zij door toedoen van de ondernemer heeft geleden. De ondernemer heeft zich ter zitting bereid verklaard de consument daarin tegemoet te komen. De consument heeft gemotiveerd toegelicht dat de kosten van de opvangorganisatie met wie zij met ingang van 1 juli 2025 een opvangovereenkomst voor haar dochters heeft moeten sluiten, Beverly kids, hoger zijn dan die van de ondernemer. Die hogere kosten bedragen € 392,- per jaar. De hogere eigen bijdrage kinderopvangtoeslag voor de nieuwe locatie bedraagt € 1.083 per jaar. Omdat de nieuwe opvanglocatie verder is gelegen bedragen de extra benzinekosten € 516,- per jaar.

De commissie is van oordeel dat een vergoeding voor een overgangsperiode van zes maanden
(van 1 juli 2025 tot 1 januari 2026) van de genoemde kosten (van in totaal € 1.991,- voor een jaar), gerechtvaardigd is zodat zij de helft van de genoemde kosten, derhalve een bedrag van € 995,50 zal toewijzen.

De overige schadeposten (overige vervoerskosten, extra uren opvang, administratiekosten, verletkosten en immateriële schadevergoeding) heeft de consument onvoldoende onderbouwd of aannemelijk gemaakt zodat de commissie die vorderingen afwijst. Omdat de klacht gegrond is zal de commissie, conform het reglement, bepalen dat de ondernemer aan de consument het door haar betaalde klachtengeld dient te vergoeden.
De consument heeft voorts om een excuusbrief van de ondernemer verzocht en om ‘signalering richting toezichthouders’. Het opdragen aan de ondernemer tot het opstellen van een excuusbrief en een signalering richting toezichthouders behoort niet tot het wettelijk instrumentarium van op te leggen maatregelen van de commissie, zodat zij de verzoeken van de consument al om die reden niet kan toewijzen.

Ter zitting heeft de ondernemer naar voren gebracht dat tussen haar en de consument aanvankelijk een goede en bijna vriendschappelijke relatie bestond. Zij betreurt het dat die relatie vertroebeld is en rekent het zichzelf aan dat de communicatie tussen partijen niet beter is verlopen.
Ter zitting heeft de ondernemer haar excuses hiervoor aangeboden en zich bereid verklaard die excuses in een andere setting dan de zittingszaal nogmaals naar voren te brengen.
Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie:

– verklaart de klacht van de consument dat de ondernemer de opvangovereenkomsten ten onrechte en op onjuiste wijze en op onjuiste gronden heeft beëindigd gegrond;
– bepaalt dat de ondernemer binnen vier weken na de verzenddatum van dit bindend advies een bedrag van € 995,50,- aan de consument dient te vergoeden;
– bepaalt dat de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 25,- aan de consument dient te vergoeden ter zake van het klachtengeld;
– verklaart de klacht van de consument voor het overige ongegrond;
– wijst het meer of anders verzochte af.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Kinderopvang, bestaande uit mevrouw mr. W. Bruins, voorzitter, de heer drs. T. Blom en mevrouw mr. M. Stroetenga, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. J.C. Quint, secretaris, op 19 januari 2026.