Terugbetaling bovenwettelijke kosten bij coronasluiting kinderopvangorganisatie

Klachtenloket Kinderopvang
Print Friendly, PDF & Email



Commissie: kinderopvang    Categorie: Kosten    Jaartal: 2021
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ten dele gegrond   Referentiecode: 48951/60292

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

Door de coronasluiting van de kinderopvang heeft de consument een tijd geen gebruik kunnen maken van de opvang voor haar dochter. Zij heeft de opvangkosten wel doorbetaald en een vergoeding van het maximale uurtarief voor kinderopvangtoeslag van de overheid ontvangen op grond van een compensatiemaatregel. Het verschil tussen het uurtarief van de ondernemer en het maximale uurtarief voor kinderopvangtoeslag is niet door de overheid vergoed. De consument vindt dat de ondernemer haar moet vergoeden, aangezien er is betaald voor diensten die niet zijn geleverd. De ondernemer weigert het verschil te vergoeden en stelt dat er sprake is van een overmachtssituatie. De commissie oordeelt dat de ondernemer tekort is geschoten in de op hem rustende verplichting tot levering van kinderopvang tegenover de consument gedurende de sluiting van de kinderopvang. De reden voor het niet presteren door overmacht valt in de risicosfeer van de ondernemer. De klacht is gegrond en de ondernemer moet het verschil aan de consument terugbetalen.

Volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil
De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.

Het geschil betreft de vergoeding van het verschil tussen het uurtarief van de ondernemer en het maximale uurtarief vergoed door de Belastingdienst (kinderopvangtoeslag) gedurende de periode van sluiting van de kinderopvanglocatie van de ondernemer wegens de Coronamaatregelen.

Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De dochter van de consument wordt sinds 4 september 2017 opgevangen op een locatie voor kinderopvang van de ondernemer.
In 2020 bedroeg het uurtarief van de ondernemer voor de dagopvang € 8,75. Het maximale uurtarief waarover door de Belastingdienst kinderopvangtoeslag wordt vergoed bedroeg in dat jaar € 8,17.

Door de sluiting van de kinderopvanglocatie op grond van de door de overheid uitgevaardigde Coronamaatregelen heeft de consument van 16 maart tot en met 11 mei 2020 geen gebruik kunnen maken van de opvang voor haar dochter. De consument oefent geen vitaal beroep uit waarvoor een uitzondering werd gemaakt.
De consument heeft de kosten van de opvang over de eerdergenoemde periode volledig doorbetaald. De consument heeft hiermee gehoor gegeven aan een dringende oproep vanuit de overheid. Die kosten werden grotendeels gecompenseerd door de kinderopvangtoeslag maar het verschil van € 0,58 per uur bleef voor rekening van de consument. Vanuit de overheid en de brancheorganisatie werd vervolgens een dringende oproep aan kinderopvangorganisaties gedaan om dit verschil aan de consument te vergoeden. De ondernemer heeft dit echter geweigerd.
De consument stelt dat de ondernemer gehouden is haar te compenseren voor een dienst die haar niet geleverd is. De consument heeft zelf gedurende de sluiting de opvang van haar dochter moeten verzorgen, terwijl zij de ondernemer doorbetaalde. Dat er sprake is van een uitzonderlijke situatie voor kinderopvangorganisaties begrijpt de consument, maar dat geldt voor de consument net zo goed.
Het steekt de consument dat de ondernemer weigert een bijdrage te leveren aan de compensatieregeling die juist is ingesteld door de overheid om de kinderopvangbranche overeind te houden.

De consument stelt zich op het standpunt dat het algemeen wettelijk uitgangspunt geldt dat een partij bij een overeenkomst niet hoeft te betalen voor diensten die de andere partij niet levert. Daarvan is ook hier sprake ook al kon de ondernemer niet nakomen door de opgelegde sluiting.
Overmacht tast de mogelijkheid tot gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst niet aan. Iedere tekortkoming in de nakoming leidt tot ontbinding, ongeacht de reden waarom de ondernemer niet kon presteren. Gedeeltelijke ontbinding is gerechtvaardigd en leidt niet tot verregaande gevolgen voor de ondernemer. De vordering betreft immers een zeer beperkt bedrag en de overeenkomst wordt voortgezet.

De consument verlangt een vergoeding van € 207,87 van de ondernemer (11,2 uur opvang per dag x € 0,58 (verschil werkelijke uurtarief en maximale uurtarief) x 32 dagen niet genoten opvang).

Bij email van 23 december 2020 heeft de consument dat verzoek uitgebreid met een verzoek tot het toekennen van een vergoeding voor het verschil tussen het werkelijke uurtarief en het maximale uurtarief voor de periode van sluiting van de kinderopvang vanaf 16 december 2020 tot de datum van heropening.

Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De ondernemer heeft met ingang van 4 september 2017 een overeenkomst gesloten met de consument voor het bieden van kinderopvang aan haar dochter.
Op deze overeenkomst zijn de algemene voorwaarden van de ondernemer van toepassing. In artikel 10 van die voorwaarden is opgenomen:
De contractant blijft de overeengekomen bedragen verschuldigd; ook in het geval de contractant de overeengekomen (delen) van de kindplaats(en) niet benut

In de periode van 16 maart tot en met 11 mei 2020 moesten alle kinderopvangcentra op last van de overheid worden gesloten, met uitzondering van opvang voor kinderen van ouders met een vitaal beroep.
De overheid heeft alle ouders die de facturen van kinderopvang hebben doorbetaald gecompenseerd voor een bedrag van € 8,17 per uur (het maximale uurtarief voor kinderopvangtoeslag).
Verschillende belangenorganisaties in de kinderopvang hebben kinderopvangcentra geadviseerd om het verschil tussen het overeengekomen uurtarief (dat van de ondernemer bedroeg in 2020 € 8,75) en het maximale uurtarief uit eigen zak aan ouders terug te betalen. De ondernemer heeft besloten dat advies (en geen plicht) niet over te nemen. De verplichte sluiting van kinderopvangcentra vormde voor de ondernemer een situatie van overmacht. Indien de ondernemer alle klanten het verschil tussen het overeengekomen uurtarief en het maximale uurtarief moet terugbetalen, dan resulteert dat voor hem in een acute financiële noodsituatie waarbij ook de continuïteit van de kinderopvang in gevaar komt.

De ondernemer vraagt om ongegrondverklaring van de klacht en afwijzing van de vordering van de consument. Ten aanzien van de uitbreiding van de klacht tot de latere sluitingsperiode, genoemd in de email van de consument van 23 december 2020, stelt de ondernemer zich op het standpunt dat de consument te dien aanzien niet ontvankelijk is.

Beoordeling van het geschil
Ten aanzien van de door de ondernemer betwiste ontvankelijkheid van de klacht, voor zover deze ziet op de uitbreiding van de periode, zoals genoemd in de brief van de consument van 23 december 2020, overweegt de commissie dat dit verweer doel treft. De consument is te dien aanzien niet-ontvankelijk in haar klacht, reeds nu dit klachtonderdeel niet eerst bij de ondernemer is ingediend.

Met betrekking tot de initiële klacht overweegt de commissie als volgt. Van 16 maart tot en met 11 mei 2020 heeft de ondernemer vanwege een door de overheid uitgevaardigde Coronamaatregel zijn deuren voor kinderen moeten sluiten (met uitzondering voor kinderen van ouders met een vitaal beroep). Als gevolg hiervan heeft de consument geen gebruik kunnen maken van de opvang voor haar dochter door de ondernemer.
De consument heeft de opvangkosten doorbetaald en een vergoeding van het maximale uurtarief voor kinderopvangtoeslag van € 8,17 van de overheid ontvangen op grond van een compensatiemaatregel. Het verschil tussen het uurtarief van de ondernemer van € 8,75 en het maximale uurtarief is niet door de overheid vergoed.
De commissie dient te beoordelen of de consument een vergoeding voor dat deel van de kosten (van € 0,58 per uur) toekomt.

De commissie heeft het volgende overwogen.

Partijen hebben een overeenkomst gesloten tot opvang van de dochter van de consument. Gedurende acht weken heeft de opvang niet plaatsgevonden maar heeft de consument daar wel voor betaald.
De ondernemer is daarmee tekort geschoten in de op hem rustende verplichting tot levering van kinderopvang tegenover de consument.
Dat die tekortkoming niet toerekenbaar is, is niet ter zake doende. Vaststaat dat de ondernemer geen prestatie heeft geleverd. De reden voor het niet presteren (overmacht) valt in de risicosfeer van de ondernemer. Een beroep op de algemene voorwaarden van de ondernemer kan niet slagen nu het niet benutten van de kinderopvangplaats niet aan de consument is te wijten maar aan de sluiting van de kinderopvanglocatie van de ondernemer voor ouders in niet vitale beroepen.

De tekortkoming in de nakoming leidt tot partiële ontbinding op de wijze en met de gevolgen zoals de consument die heeft verwoord. Op grond van de artikelen 6:265 lid 1 BW en 6:270 BW dient de overeenkomst tussen partijen ontbonden te worden voor zover zij ziet op de prestatie van de consument tot het betalen van een vergoeding boven het maximale uurtarief voor kinderopvangtoeslag over de weken waarin geen opvang heeft plaatsgevonden.

Dit leidt ertoe dat de ondernemer voor de periode van 16 maart tot en met 11 mei 2020 gehouden is tot terugbetaling aan de consument van een bedrag ad € 207,87 (zijnde 11,2 uur x € 0,58 x 32 dagen).

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht in zoverre gegrond is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie:

– verklaart de consument niet ontvankelijk in de uitbreiding van de klacht van 23 december 2020;
– verklaart de klacht voor het overige gegrond;
– bepaalt dat de ondernemer binnen één maand na de verzenddatum van dit advies aan de consument een bedrag ad € 207,87 dient terug te betalen;
– bepaalt dat de ondernemer een bedrag van € 25,– aan de consument dient te vergoeden ter zake van het klachtengeld;
– wijst af het meer of anders verzochte.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Kinderopvang, bestaande uit mevrouw mr. dr. E. Venekatte, voorzitter, mevrouw mr. S.A.M.F. Sjoukes en de heer drs. H. Grachten, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. J.C. Quint, plaatsvervangend secretaris, op 15 april 2021.

Ster

Telefonisch niet bereikbaar

Op maandag 5 december vanaf 16:00 uur zijn wij gesloten en dus niet bereikbaar. Uiteraard kunt u altijd gebruik maken van ons contactformulier. Op dinsdag openen onze telefoonlijnen weer om 10:00 uur.