BSO mag die uren opvang in rekening brengen die aansluiten op de schooltijden van aangesloten scholen

Klachtenloket Kinderopvang
Print Friendly, PDF & Email



Commissie: BSO    Categorie: Openingstijden    Jaartal: 2017
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: 2017-108650

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil

De BSO berekende op de locatie waar de kinderen van de consument naar toe gingen de voorschoolse opvang van 7.30 tot 8.45 uur, hoewel gedurende de periode dat de kinderen van de consument daar opvang genoten, alle kinderen naar een school gingen die al om 8.30 uur begon. De ouder wil dat de ondernemer uitgaat van de starttijd van die school. Omdat de locatie  openstaat voor kinderen van meerdere aangesloten scholen, met verschillende begintijden en die mogelijkheid ook daadwerkelijk aanwezig is, mocht de ondernemer de tijden aanhouden van de laatst startende school.

Het geschil betreft door de ondernemer in rekening gebrachte tijd voor voorschoolse opvang.

De consument heeft op 19 oktober 2016 voor het eerst haar klacht aan de ondernemer voorgelegd en vervolgens bij brief van 27 december 2016 een officiële klacht ingediend bij de ondernemer.

Standpunt van de consument

Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het betoog van de consument op het volgende neer.

De ondernemer heeft van 1 januari 2013 (toen trad artikel 1a van het Besluit Kinderopvangtoeslag in werking) tot 1 januari 2017 teveel voor de VSO in rekening gebracht. Er werd gefactureerd van 7:30 uur tot 8:45 uur maar op een aantal opvanglocaties begon de school al eerder, namelijk om 8:30 uur. Op de opvanglocatie waar de klacht van de consument op ziet gingen alle kinderen om 8:30 uur naar school. Er werden géén kinderen opgevangen die naar een school gingen die om 8:45 uur begon. Volgens de consument behoorde de eindtijd van de VSO op die locatie derhalve 8:30 uur te zijn, zodat de ondernemer slechts één uur in rekening mocht brengen, maar ten onrechte een uur en een kwartier in rekening heeft gebracht.
Met ingang van 1 januari 2017 heeft de ondernemer de VSO tijden laten aansluiten bij de aan de VSO locaties gekoppelde basisscholen.
De consument wijst erop dat de ondernemer een zeer grote speler in Zuid-Oost Brabant is. Het gaat vermoedelijk dan ook om honderden gedupeerde ouders.
De consument heeft de ondernemer verzocht openheid van zaken te geven aan alle ouders die dit aangaat en de teveel betaalde VSO gelden te verrekenen in de nieuwe tarieven.

De Centrale ouderraad, waarmee de consument contact heeft gehad over haar klacht, heeft laten weten dat het standpunt van de consument, destijds tot een ander advies geleid zou hebben, vermoedelijk meer gelegen in de richting van het standpunt van consument. Ook volgens BOinK, waarmee de consument heeft gesproken, heeft de ondernemer onjuist gehandeld en het door de consument benaderde Klachtenloket Kinderopvang is volgens de consument diezelfde mening toegedaan.

De ondernemer heeft in reactie op de klacht van de consument voorgesteld om óf het zo te laten als het is, aangezien de ondernemer van mening is dat hij zich aan de regels houdt en voor 2017 al een aanpassing plaatsvindt, óf voor 2016 een aanpassing door te voeren, zodat de consument slechts 1 uur VSO afneemt voor haar zoontje. Daar zit dan wel een uurprijs aan vast van € 8,42. Gelet op het hogere uurtarief zou dit volgens de ondernemer voor de consument belastingtechnisch wellicht onvoordeliger zijn. Voor 2015 was een aanpassing volgens de ondernemer niet meer mogelijk, aangezien dit een afgesloten boekjaar betreft waarin de ondernemer geen mutaties meer kon doorvoeren.

De consument wijst er voorts nog op dat de ondernemer volgens haar in het verleden bij de naschoolse opvang (NSO) ook op dezelfde manier heeft gehandeld. Omdat de ondernemer de NSO-tijden al per 1 januari 2016 heeft aangepast aan de aan de NSO-locaties gekoppelde basisscholen, is deze klacht volgens de consument nu ‘verjaard’.

Ter zitting is door de consument verder nog – in hoofdzaak – het volgende aangevoerd.

Op de vraag van de commissie of in het contract met de ondernemer tijden zijn vermeld, antwoordt de consument dat zij jaarlijks een urenbijlage ontvangt maar dat zij ter zitting het antwoord schuldig moet blijven of daarin ook de tijden vermeld worden.

De vordering van de consument ziet met name op uitleg en informatie door de ondernemer aan de ouders, niet zozeer op geld. De hoogte van de schade die de consument geleden heeft is ook niet eenvoudig te bepalen, aangezien rekening gehouden moet worden met de kinderopvangtoeslag. De consument schat het bedrag dat zij teveel betaald heeft doordat de ondernemer structureel een kwartier teveel in rekening heeft gebracht op € 100,– tot € 200,–.

De consument heeft haar klacht, zoals voorgelegd aan de commissie, uitdrukkelijk beperkt tot de VSO. Dit omdat de ondernemer de NSO in 2016 al rechtgetrokken had en de consument meende dat het te laat was om nu nog over de jaren daarvoor bij de commissie te klagen. Ook was er bij de NSO sprake van verschillende locaties: de jongste kinderen bleven op school maar de oudere kinderen gingen naar een andere locatie. Voor de VSO ligt dat evenwel anders. Die situatie was op het moment van klagen nog wel actueel en er is sprake van een locatie waar alleen kinderen van dezelfde school gebruik van maken, dus alle kinderen gaan om 8:30 uur naar school.

Op de vraag van de commissie hoe duidelijk het voor de consument was wat zij van de ondernemer afnam, antwoordt de consument dat zij erg naïef aan de kinderopvang is begonnen. Zij heeft wel gezien dat op de facturen 8:45 uur vermeld werd maar heeft daar destijds verder niet op gelet. Ook nadat zij besefte dat er een kwartier meer gefactureerd werd door de ondernemer dan werd afgenomen, heeft het even geduurd voordat zij dit verder heeft uitgezocht, dit als gevolg van persoonlijke omstandigheden.

De consument blijft bij haar standpunt dat de wet zo moet worden uitgelegd dat een later eindtijdstip niet mag worden gehanteerd, in gevallen dat het op papier weliswaar mogelijk is dat kinderen van andere locaties met andere schooltijden worden opgevangen maar dit in feite gewoon nooit zal gebeuren omdat dit praktisch totaal niet voor de hand ligt. 
 
Standpunt van de ondernemer

Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het betoog van de ondernemer op het volgende neer.

In reactie op de klacht van de consument van 27 december 2017 heeft de ondernemer een gesprek gehad met de consument op 23 januari 2017. Dit gesprek is samengevat in een brief d.d. 3 februari 2017. De ondernemer erkent hierin dat sprake is van complexe materie maar is van mening dat de consument een verkeerde uitleg geeft aan artikel 1a van het Besluit Kinderopvangtoeslag en de in de Wet Kinderopvang gehanteerde begrippen “Buitenschoolse opvang” en “Kindercentrum”. Anders dan de consument, is de ondernemer niet van mening dat hij verplicht is de eindtijd van de VSO en de begintijd van de NSO af te stemmen op de begin- en eindtijd van de betreffende basisschool. De ondernemer wijst erop dat Kinderopvanginstellingen die kinderen van verschillende scholen opvangen, zoals de ondernemer, met verschillende openings- en sluitingstijden van scholen te maken hebben.
Voor de uren waarvoor aanspraak op kinderopvangtoeslag kan bestaan, wordt aangesloten bij hetgeen volgt uit de wetsgeschiedenis bij het Besluit Kinderopvang, waarin verwezen wordt naar uitspraken van de Geschillencommissie Kinderopvang van 12 juni 2007 ( KIN07-0012) en 20 oktober 2008 (KIN08-0048). In voornoemde uitspraken heeft deze commissie bepaald dat een kinderopvanginstelling, op grond van het kinderopvangcontract voor NSO, de uren vanaf de sluitingstijd van de vroegst sluitende school in rekening mag brengen bij ouders. De uren komen vervolgens ook in aanmerking voor kinderopvangtoeslag, ongeacht de specifieke dagelijkse schooltijd van een kind.
De ondernemer hanteert het beleid dat zijn opvanglocaties openstaan voor kinderen van meerdere aangesloten scholen. Het is niet zo dat wanneer een kind naar school A gaat, er verplicht gebruik gemaakt moet worden van de opvang op een bepaalde opvanglocatie. Bovendien is het niet zo dat de werkzaamheden en verantwoordelijkheden van de pedagogisch medewerkers om 8:30 uur eindigen. Er wordt gezorgd voor een correcte overdracht aan de scholen, zodat ook na 8:30 uur nog werkzaamheden worden verricht.

De ondernemer wijst er voorts op dat hij een maatschappelijke organisatie is zonder winstbejag. Doelstelling is om hoogwaardige dienstverlening te bieden tegen redelijke tarieven, zodat zoveel mogelijk mensen van de diensten van de ondernemer gebruik kunnen maken. Van 2012 tot en met 2015 zijn grote verliezen genoteerd, zonder dat deze via de tarifering aan de ouders werden doorberekend. Er wordt een eerlijk prijsbeleid gehanteerd, waarbij uitgegaan wordt van dezelfde prijs voor NSO en VSO, ondanks dat er grote verschillen zijn in de kosten van NSO en VSO. De inkomsten uit VSO dekken de werkelijke kosten niet. De ondernemer legt hierop toe maar biedt de ouders een arrangement van NSO en VSO dat aansluit bij de behoefte van de ouders. Verschillende tarieven voor VSO en NSO zou voor ouders financieel nadelig kunnen zijn. Door de gehanteerde systematiek, die binnen de wettelijke kaders past, kon de ondernemer de verliezen enigszins beperken, zonder de uurprijs voor VSO aan te passen.
Het prijs-en productenbeleid van de ondernemer wordt al jaren gebaseerd op solidariteit en daarmee een uniform tarief voor alle locaties, ongeacht hun specifieke omstandigheden. De tarieven zijn namens alle lokale oudercommissies geaccordeerd en zijn jaarlijks voorzien van een positief advies door de Centrale Oudercommissie van de ondernemer. De tarieven voor het nieuwe jaar zijn door de klanten geaccepteerd. Ook de consument heeft met de tarieven ingestemd.

Naar aanleiding van het verzoek van de consument om openheid van zaken te geven aan alle betrokken ouders en de volgens de consument teveel betaalde BSO-gelden te verrekenen in de tarieven heeft de ondernemer het volgende aangevoerd.
De ondernemer informeert alle ouders jaarlijks over de producten en diensten en daarmee gepaard gaande kosten. Iedere ouder kan in de persoonlijke urenbijlage zien wat dit voor hem/haar betekent. Zo heeft de ondernemer de ouders in 2016 in de mailing Producten en Tarieven laten weten dat met ingang van 2017 de kosten voor de VSO op basis van de werkelijke begintijd van de basisschool berekend zouden gaan worden. De gewijzigde systematiek is in de tarievenstructuur van 2017 verwerkt. De ondernemer is van mening op deze manier de ouders voldoende te hebben geïnformeerd en overeenkomstig de wettelijke regels en in het belang van de klanten te hebben gehandeld.

In reactie op het door de consument aan de commissie voorgelegde geschil heeft de ondernemer bij brief van 7 maart 2017 verwezen naar zijn brief van 3 februari 2017 en laten weten bij zijn standpunt zoals verwoord in dat schrijven te blijven.

Ter zitting is namens de ondernemer verder nog – in hoofdzaak – het volgende aangevoerd.

De ondernemer legt uit hoe hij tot de kostprijsberekening van het product VSO is gekomen. Bij het opstellen van de begroting wordt bezien wat de kosten zijn gelet op het aantal kinderen en het aantal leidsters en dit wordt omgerekend naar een uurprijs. Hierbij hanteert de ondernemer het uitgangspunt dat de NSO prijs per uur gelijk is aan de VSO prijs. VSO opvang is duurder, onder meer in verband met de kind/leidsterratio. Als bij het VSO/NSO arrangement het kwartier er niet bij was genomen, dan was een hoger uurtarief noodzakelijk geweest.

Als klanten alleen VSO, zonder arrangement willen afnemen of een uur incidentele opvang, dan wordt een hoger uurtarief in rekening gebracht dan bij VSO in een arrangement.

Op de vraag van de commissie of op de locatie waarop de klacht van de consument ziet geen kinderen van andere scholen worden opgevangen, zoals de consument stelt, antwoordt de ondernemer dat dit momenteel inderdaad niet gebeurt. Hoewel hiervan in de praktijk waarschijnlijk niet vaak gebruik gemaakt zal worden, is de locatie wel toegankelijk voor kinderen van andere scholen, met andere schooltijden. Op verschillende locaties van de ondernemer wordt wel van deze mogelijkheid gebruik gemaakt.

Voor 2017 zijn ten behoeve van de totale begroting nieuwe berekeningen gemaakt. Omdat het schoollandschap aan verandering onderhevig is en tegenwoordig steeds vaker bij de scholen, tijdens het schooljaar, veel wijzigingen van de schooltijden plaatsvinden, heeft de ondernemer besloten daar meer op aan te sluiten. De pakketten zijn zodanig aangepast dat de openingstijden van de opvang aansluiten op de openingstijden van de aangesloten basisscholen. In 2016 is dat al gebeurd voor de NSO, in 2017 is dit ook doorgevoerd voor de VSO.

De ondernemer blijft erbij dat de kostprijsberekening in de voorgaande jaren juist is geweest. Hij begrijpt dat het voor klanten duidelijker is als met een uur wordt gerekend, zoals thans het geval is, maar dit betekent niet dat de prijs in voorgaande jaren te hoog was.

Beoordeling van het geschil

Naar aanleiding van het over en weer door partijen gestelde overweegt de commissie het volgende.

De commissie heeft de consument ter zitting voorgehouden dat de procedure bij de commissie niet geschikt is om voor anderen te handelen of te vorderen. De commissie heeft conform haar reglement tot taak geschillen te beslechten die betrekking hebben op de overeenkomst tussen een individuele consument en een ondernemer. In het onderhavige geval is de commissie derhalve slechts bevoegd het geschil tussen de consument en de ondernemer te behandelen inzake de tussen hen geldende overeenkomst. Zij is niet bevoegd om een uitspraak te doen met betrekking tot overeenkomsten van andere ouders of in algemene zin.

De commissie stelt vast dat het dossier, zoals aan de commissie voorgelegd, geen overeenkomst tussen partijen bevat, zodat de commissie daarvan geen kennis heeft kunnen nemen. Ook stelt de commissie vast dat de consument geen stukken heeft overgelegd waaruit de standpunten van BOinK en het Klachtenloket Kinderopvang blijken, zoals door de consument naar voren gebracht.
De vertegenwoordigers van de Centrale Oudercommissie hebben ter zitting, naar aanleiding van vragen van de commissie, aangegeven dat in 2015 gesproken is over een aanpassing van de tarieven, waarbij met name naar de NSO is gekeken. De tarieven voor NSO zijn in 2016 ook aangepast. Indien het standpunt zoals door de consument verwoord ten aanzien van de VSO destijds betrokken was in de overleggen met de ondernemer, had dit mogelijk effect gehad bij de besprekingen. De Centrale Oudercommissie wijst erop dat zij begrijpt dat het uurtarief dan hoger was geworden. Zij staat er nog steeds achter hoe een en ander destijds is gegaan.
De commissie stelt voorts vast dat de consument op 19 oktober 2016 voor het eerst aan de ondernemer vragen heeft gesteld over de voor de VSO in rekening gebrachte tijd en op 27 december 2016 hierbij ook de NSO heeft betrokken. Ter zitting heeft de consument expliciet haar klacht en vordering beperkt tot de VSO en heeft zij haar klacht voor wat betreft de NSO ingetrokken.
De commissie overweegt dat het in deze zaak allereerst van belang is om vast te stellen of het voor de consument kenbaar was wát zij afnam van de ondernemer, waarna vervolgens de vraag aan de orde komt of de ondernemer het aangebodene in rekening mocht brengen.

Uit de overgelegde tarieventabellen voor 2016 blijkt dat in dat jaar voor VSO per dag 1.25 uur is opgenomen en dat deze opvang vanaf 07:30 uur plaatsvindt. Naar het oordeel van de commissie behoort het tot de eigen verantwoordelijkheid van de consument om vast te stellen hoeveel tijd afgenomen wordt en indien sprake is van onjuistheden of onduidelijkheid hier zo spoedig mogelijk op te reageren richting ondernemer. In het onderhavige geval had het naar het oordeel van de commissie, gelet op de informatie in de urentabellen, duidelijk voor de consument moeten, dan wel kunnen zijn dat zij VSO opvang afnam van 7:30 uur tot 8:45 uur. Ter zitting heeft de consument ook erkend dat zij dit wel gezien heeft. Zij heeft daar evenwel niet direct op gereageerd.
De commissie stelt voorts vast dat tussen partijen niet in geding is dat de tarieven tijdig aan de ouders kenbaar zijn gemaakt.

Ten aanzien van de vraag of de ondernemer in de jaren voor 2017, gelet op de toepasselijke wetgeving onjuist heeft gehandeld door 1.25 uur in rekening te brengen voor VSO, overweegt de commissie het volgende. De ondernemer heeft gesteld dat al zijn locaties toegankelijk zijn voor kinderen van verschillende aangesloten scholen, al dan niet met verschillende openingstijden. Door de consument is dit niet weersproken. De commissie overweegt dat de omstandigheid dat (achteraf) blijkt dat van een bepaalde locatie slechts gebruik gemaakt wordt door kinderen van één school, niet afdoet aan het feit dat op de betreffende locatie daadwerkelijk kinderen konden worden opgevangen van scholen met een andere (latere) openingstijd. Dit zou naar het oordeel van de commissie slechts anders zijn als de betreffende locatie in werkelijkheid niet toegankelijk kón zijn voor kinderen van andere scholen, met andere openingstijden. Dat van een dergelijke situatie in de onderhavige zaak sprake zou zijn is evenwel niet gesteld, noch gebleken.

Nu op de locatie waarop het geschil ziet onweersproken ook kinderen van andere scholen opgevangen konden worden, stond het de ondernemer naar het oordeel van de commissie vrij om de tijd tot de begintijd van de het laatst aanvangende school in rekening te brengen bij ouders. Die tijd kwam ook in aanmerking voor kinderopvangtoeslag, ongeacht de specifieke dagelijkse schooltijd van een kind.

Hoewel de ondernemer gelet op het voorgaande naar het oordeel van de commissie juridisch correct heeft gehandeld, laat dit onverlet dat het beter was geweest als de ondernemer in de jaren voor 2017 duidelijker had gemaakt dat een deel van de kinderen (mogelijk) niet de tijd afnam die voor VSO werd berekend en wat de achterliggende reden was van de gedeclareerde opvangtijd.

Voorts wijst de commissie er ten overvloede nog op, dat voorbereidings- en afwikkelingstijd, anders dan de ondernemer lijkt te stellen in zijn brief van 3 februari 2017, niet in rekening mag worden gebracht.

Gelet op het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht van de consument ongegrond is.

Voor zover door partijen aangevoerde argumenten c.q. klachten niet zijn besproken, kan daarvan worden afgezien, omdat deze niet tot een andere beslissing kunnen leiden.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

Het door de consument gevorderde wordt afgewezen.

Aldus beslist op 7 april 2017 door de Geschillencommissie Kinderopvang en Peuterspeelzalen.