Ondernemer moet zich aan gemaakte afspraak over medewerker houden

Onderwerp van het geschil

De ouders zegden de opvang van hun kind per direct op, nadat zij geconfronteerd werden met een specifieke oproepmedewerker die in de opvang aan het werk was, terwijl zij hadden afgesproken dat wanneer deze medewerker op de groep van hun dochter zou werken, de ondernemer hen daarover vooraf zou informeren. Zij mochten dan de dag ruilen met een andere dag. De ondernemer reageerde niet  op de mail van de ouders waarin zij de opvang te willen stoppen, maar stuurde een maand later wel een factuur.

De commissie geeft de ouders gelijk dat de ondernemer verplicht was te melden dat de specifieke medewerker zou werken, nu dit was afgesproken. De ouders krijgen ook gelijk over het deel van de klacht dat het niet professioneel is van de ondernemer om niet tijdig te reageren op de opzegging. De ouders krijgen geen schadevergoeding, zoals gevraagd.

Het geschil betreft door de ondernemer in rekening gebrachte kosten na beëindiging van de overeenkomst door de consument en de wijze waarop de consument en haar partner door de ondernemer zijn bejegend bij de afhandeling daarvan.

Standpunt van de consument

Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken en hetgeen de consument en haar partner tijdens de mondelinge behandeling naar voren hebben gebracht. In de kern komt het standpunt van de consument op het volgende neer.

De consument maakt sinds maart 2015 voor haar jongste dochter gebruik van kinderopvang in het kinderdagverblijf van de ondernemer. De aanleiding voor de beëindiging van deze kinderopvangovereenkomst heeft deels te maken met de kinderopvang van de oudste dochter van de consument tussen 2012 en 2016. In september 2014 is een stagiaire op het kinderdagverblijf komen werken, die de consument vanuit een situatie buiten het kinderdagverblijf kende. Vanwege in het verleden plaatsgevonden gebeurtenissen wilde de consument niet dat haar oudste dochter onder de zorg of verantwoordelijkheid zou komen te vallen van deze stagiaire. Voor de consument was dit zo belangrijk dat zij om die reden van plan was de kinderopvangovereenkomst voor haar oudste dochter te beëindigen. Tijdens een gesprek hierover met de ondernemer in het najaar van 2014 heeft de consument echter van beëindiging van de overeenkomst afgezien en is tussen hen afgesproken dat deze stagiaire niet de zorg of verantwoordelijkheid over de dochter van de consument zou krijgen.

Per september 2017 is deze stagiaire als oproepkracht in dienst gekomen van de ondernemer. In die periode is het voorgevallen dat de betreffende oproepkracht op de groep werkte waar de jongste dochter van de consument deel van uitmaakte. Ook nu was de consument om eerdergenoemde redenen van plan de overeenkomst voor haar jongste dochter te beëindigen. In plaats daarvan is tussen partijen afgesproken dat de ondernemer het aan de consument vooraf zou laten weten wanneer de oproepkracht werd ingezet en dat de consument dan haar jongste dochter op een andere dag op het kinderdagverblijf kon laten verblijven. Op 19 april 2018 bracht de consument haar dochter naar het kinderdagverblijf en bleek de oproepkracht werkzaam op de groep. Tegen de afspraken in was de consument hierover niet vooraf ingelicht. Overdonderd door de situatie heeft de consument haar dochter toen eerst op de groep gelaten. Later die dag heeft een familielid alsnog de dochter van de groep opgehaald.

Uit onvrede over het niet nakomen van afspraken hebben de consument en haar partner op 23 april 2018 de ondernemer via e-mail medegedeeld de overeenkomst per direct te beëindigen, zonder inachtneming van de wettelijke opzegtermijn van een maand. Op de betreffende e-mail heeft de ondernemer vervolgens niet gereageerd. De dochter van de consument is niet meer op het kinderdagverblijf geweest. Wel werd op 21 mei het maandbedrag voor juni 2018 afgeboekt van de rekening van de consument. Op 4 juni 2018 is door de consument telefonisch navraag gedaan over de beëindiging van de overeenkomst die in de e-mail was aangezegd. Dezelfde dag is van de ondernemer toen alsnog per e-mail een reactie gekomen op de e-mail van 23 april 2018. In die reactie bevestigt de ondernemer de beëindiging van de kinderopvangovereenkomst per 30 mei 2018. De consument en haar partner zijn het niet eens met de einddatum van 30 mei en laten dit op 19 juni 2018 aan de ondernemer weten in een door een jurist opgestelde brief. De ondernemer reageert hierop per e-mail van 21 juni 2018 met de mededeling dat deze brief ter advisering is doorgezonden naar de juridische afdeling van de branchevereniging en dat de zaak na ontvangst van het advies zal worden afgehandeld. Daarna heeft de consument niets meer van de ondernemer gehoord. Tegen deze gang van zaken richt zich de klacht.

De consument benadrukt dat het hier gaat om haar persoonlijke situatie en dat de veiligheid van de andere kinderen in haar ogen op geen enkele wijze in gevaar is vanwege de betrokkenheid van de betreffende oproepkracht.

Voor zover nog van belang wenst de consument het volgende om tot een oplossing van het geschil te komen. Ten eerste wil de consument graag dat de [naam manager] als manager schriftelijk zijn excuses aanbiedt. Ten tweede verwacht de consument een bevestiging van de ondernemer dat de kinderopvangovereenkomst per 23 april 2018 is beëindigd en dat de geïncasseerde bedragen voor de periode van 24 tot en met 30 april 2018 en voor de maanden mei en juni 2018 zal worden terugbetaald of gecrediteerd. Ten derde wenst de consument van de ondernemer een schadevergoeding te ontvangen van € 1.140,--. Dit bestaat in de volgende gestelde schadeposten:

- Vier weken à € 150,-- per week omdat de consument niet heeft kunnen werken als gevolg van het feit dat er geen kinderopvang meer beschikbaar was.

- Een bedrag van € 100,-- voor juridische hulp en advies.

- Een bedrag van € 240,-- voor de eigen bezigheden betreffende schadeafhandeling, het omschrijven en opstellen van de klacht en het contact met de jurist.

- Een bedrag van € 200,-- voor ondervonden spanning en stress.

Standpunt van de ondernemer

Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken en hetgeen de ondernemer tijdens de mondelinge behandeling naar voren heeft gebracht. In de kern komt het standpunt van de ondernemer op het volgende neer.

De ondernemer erkent de gemaakte afspraken. Met name erkent de ondernemer dat is afgesproken dat hij het de consument vooraf zou laten weten wanneer de betreffende oproepkracht op een gegeven dag op de groep van haar jongste dochter werkzaam zou zijn en dat de consument deze dag naar aanleiding hiervan zou mogen ruilen met een andere dag. De ondernemer is niet op de hoogte van de persoonlijke beweegredenen van de consument om deze afspraak over de oproepkracht te maken. De oproepkracht heeft een professionele pedagogische opleiding, een positieve VOG en functioneert zeer goed. De ondernemer heeft geen enkele negatieve aanwijzing, opmerking of klacht van ouders of medewerkers ontvangen met betrekking tot het functioneren van de oproepkracht.

De ondernemer heeft op 4 juni 2018 gereageerd op de e-mail van 23 april 2018. De ondernemer zag geen aanleiding om eerder op deze e-mail te reageren. De beëindiging van de overeenkomst door de consument was een feit en haar dochter was niet meer aanwezig op het kinderdagverblijf. De ondernemer wilde aanvankelijk de in de algemene voorwaarden opgenomen opzeggingstermijn hanteren, maar heeft dit standpunt verlaten nadat hij advies had ingewonnen bij de brancheorganisatie. De ondernemer bestrijdt dat de consument schade heeft geleden die de ondernemer zou moeten vergoeden. Naar de mening van de ondernemer vloeit de eventuele schade voort uit de keuze van de consument om haar dochter na 19 april 2018 niet meer naar het kinderdagverblijf te brengen.

Beoordeling van het geschil

Naar aanleiding van het over en weer door partijen gestelde overweegt de commissie het volgende.

Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat de ondernemer nog het bedrag van € 111,75 aan de consument zal terugbetalen. Dit betreft het deel van het maandbedrag voor april 2018 dat is betaald voor de ongebruikte opvanguren in de periode vanaf 24 april tot en met 30 april 2018. De in rekening gebrachte kosten voor de periode nadien zijn in mei 2018 reeds door de consument gestorneerd. Inmiddels zijn de facturen voor deze maandbedragen (mei en juni 2018) door de ondernemer gecrediteerd en staan er voor de consument geen bedragen meer open. Voor zover de klacht aanvankelijk gericht was op de einddatum van de overeenkomst en op terugbetaling van de geïncasseerde bedragen bestaat tussen partijen geen geschil meer. Voor de beoordeling van dit deel van de klacht is voor de commissie derhalve geen taak meer weggelegd.

Voor zover de klacht zich richt tegen het feit dat de betreffende oproepkracht werkzaam was op de groep van de jongste dochter van de consument, terwijl de ondernemer dit niet vooraf aan de consument had medegedeeld, is de klacht gegrond. De verplichting om deze mededeling te doen was immers tussen partijen overeengekomen. Daarbij is niet van belang of de ondernemer het nut of de noodzaak van de gemaakte afspraak kent of begrijpt.

Voor zover de klacht zich richt tegen het feit dat de ondernemer niet eerder dan 4 juni 2018 heeft gereageerd op de e-mail van 23 april 2018, waarin de consument en haar partner de beëindiging van de overeenkomst hebben aangezegd, is de klacht eveneens gegrond. De commissie overweegt dat van een professionele organisatie verwacht mag worden dat binnen een bekwame tijd gereageerd wordt op een dergelijke e-mail. Zeker nu er in de periode nadien nog een maandbedrag voor juni 2018 werd afgeboekt van de bankrekening van de consument, is het uitblijven van een reactie op de e-mail van 23 april onvoldoende professioneel. Het is te betreuren dat de dochter van de consument niet op een “normale” wijze afscheid heeft kunnen nemen van de groepsgenootjes en de medewerkers. Dit had anders gekund als de communicatie tussen partijen sneller was verlopen. Dat dit niet is gebeurd is in de eerste plaats te wijten aan het feit dat de reactie van de ondernemer met betrekking tot de beëindiging van de overeenkomst zo lang op zich heeft laten wachten.

Voor wat betreft de door de consument gestelde geleden schade geldt het volgende.

De door de consument gestelde geleden schade als gevolg van gederfde inkomsten à € 150,-- per week voor een periode van vier weken is op geen enkele wijze met stukken onderbouwd en deze blijkt ook nergens uit. Daarom komt deze niet voor vergoeding in aanmerking.

De door de consument gestelde schadepost van € 100,-- voor juridische hulp en advies komt niet voor vergoeding in aanmerking. Op grond van artikel 20 Reglement Geschillencommissie Kinderopvang komen de door partijen ter zake van de behandeling van het geschil gemaakte kosten voor hun eigen rekening, tenzij de commissie in bijzondere gevallen anders bepaalt. Er is niet gesteld of gebleken waarom sprake zou zijn van een bijzonder geval op grond waarvan van de hoofdregel zou dienen te worden afgeweken, zodat de kosten voor eigen rekening komen.

Voor zover deze schadepost betrekking heeft op gemaakte kosten voorafgaand aan de behandeling door de commissie is alleen gebleken van een op 19 juni 2018 namens de consument door [naam jurist] van [naam juristenkantoor] aan de ondernemer gestuurde aanmaningsbrief. Door de consument is de noodzaak van het inschakelen van een jurist bij het opstellen van deze brief onvoldoende naar voren gebracht. Daarom blijven ook de kosten hiervan voor rekening van de consument.

De door de consument zelf verrichte inspanningen met betrekking tot de klacht komen reeds op grond van de al genoemde in artikel 20 Reglement Geschillencommissie Kinderopvang neergelegde hoofdregel voor rekening van haar zelf. De door de consument gestelde schadepost van € 240,-- komt derhalve niet voor vergoeding in aanmerking.

De door de consument gestelde schadepost van € 200,-- voor ondervonden spanning en stress komt ten slotte evenmin voor vergoeding in aanmerking. Om voor vergoeding van schade als gevolg van ondervonden psychisch leed in aanmerking te komen gelden zware motiveringsvereisten, waaraan hier naar het oordeel van de commissie niet is voldaan.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht gegrond is en dat de consument aanspraak heeft op vergoeding van het klachtengeld. De commissie wijst de door de consument verlangde schadevergoeding af.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De klacht is gegrond.

De ondernemer dient overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van

€ 25,-- aan de consument te vergoeden ter zake van het klachtengeld.

De commissie wijst het meer of anders verlangde af.

Aldus beslist op 26 november 2018 door de Geschillencommissie Kinderopvang.

Commissie: Kinderopvang

Referentienummer: 2018-118522

Uitspraken disclaimer

Let op: De uitspraken in ons uitsprakenregister zijn voorbeelden en wij willen u hiermee een algemeen beeld geven van de beslissingen van de commissie. U kunt geen rechten ontlenen aan ons uitsprakenoverzicht. Elke klacht wordt door de commissie afzonderlijk beoordeeld op basis van de specifieke feiten en omstandigheden.
Niet gevonden wat u zocht?
Wilt u meer informatie over onze uitspraken, dan helpen wij u graag. U kunt hiervoor contact met ons opnemen via dit formulier.

Was deze informatie duidelijk?

  • LANDELIJK LOKET KLACHTEN EN GESCHILLEN VOOR KINDEROPVANG EN PEUTERSPEELZALEN

  • Disclaimer
  • Privacy
Terug naar boven